Wednesday, March 29, 2017

Dossier Dr. Van Gool

Op maandag 27 maart 2017 publiceerde De Standaard een onderzoeksdossier over Dr. Van Gool. In diverse media kwam dit ruimschoots aan bod. Ik gaf onder meer toelichting op Radio 1 (De Wereld Vandaag) en het VTM Journaal. Enige duiding is hier toch op zijn plaats want procedures zoals een informed consent die veel meer is dan zomaar een papier. Mensen informeren is een cruciale voorwaarde om tot een goed onderbouwde en patiëntgecentreerde zorg.

In De Standaard van 28 maart 2017 heb ik mijn column gewijd aan deze heikele kwestie. Klik hier om dit stuk te lezen.


Hieronder kun je ook de integrale tekst van mijn stuk lezen.

Ethiek is net zo urgent als genezen

Geneeskunde kan enkel goed functioneren als ze omgeven wordt door ethische procedures, wetenschappelijke controle en complete transparantie. Alleen op die manier, aldus Ignaas Devisch, kan ze zich onderscheiden van kwakzalverij en uitbuiting.
Wie? Doceert medische filosofie en ethiek aan de UGent en de Artevelde-hogeschool. Deze opinie­­bijdrage vervangt zijn tweewekelijkse column.
Wat? Juist omdat patiënten genezen zo delicaat is, moeten we de grootst mogelijke openbaarheid nastreven.
Experimenteren
Bij het bestuderen van het dossier van Stefaan Van Gool (DS 27 maart) moest ik meteen denken aan een opmerkelijk boek uit de dertiende eeuw, geschreven door Roger Bacon,De erroribus medicorum (Over de fouten van de artsen). Bacon geeft er de artsen van langs, maar in één passage van het boek vraagt hij ook om begrip: omdat artsen te maken hebben met mensen, kunnen ze niet zomaar experimenteren zoals in andere wetenschappen, terwijl experimenten essentieel zijn om wetenschappelijke vooruitgang te boeken. Daarom, besluit Bacon, moeten we begrijpen dat geneeskunde een moeilijke discipline is.
Bij die vaststelling kan het natuurlijk niet blijven. Begrip voor fouten is één ding. De plicht om fouten te vermijden, een ander. Alle regelgeving en ethiek die sinds decennia de gezondheidszorg omringen, vertrekken vanuit die plicht en zijn één langgerekte poging om een antwoord te bieden op de delicate situatie waarin geneeskunde zich bevindt: hoe op een experimentele manier vooruitgang boeken in het genezen van mensen zonder dat patiënten er slachtoffer van worden? Het dilemma in dezen is even duidelijk als hardnekkig: wie niet experimenteert, staat stil; wie onzorgvuldig experimenteert, loopt het risico slachtoffers te maken. Daarom kan een goed functionerende geneeskunde alleen maar bestaan wanneer ze omringd wordt door ethische procedures, wetenschappelijke controle en de grootst mogelijke openbaarheid in alles wat ze doet.

Leven en dood
Veel artsen zullen het niet graag lezen, maar zolang er pa­tiënten bestaan, kan geneeskunde nooit een exacte wetenschap zijn, wel een experimentele. Stap met een resem klachten verschillende artsenpraktijken binnen en de kans is groot dat je met uiteen­lopende diagnoses thuiskomt. Dat is geen verwijt, wel een belangrijke vaststelling. De moeilijkheidsgraad in het afbakenen en behandelen van symptomen blijft vaak groot. Daarom volgen zij die ermee aan de slag gaan een lang­durige en goed onderbouwde opleiding. Tenslotte gaat het om mensenlevens.
Wie patiënten voorhoudt dat de resultaten vaststaan terwijl dat niet zo is, bedriegt hen
Een bepaalde mate van onzekerheid bij de behandeling van schimmel onder de teennagels zal misschien weinig mensen verontrusten. Bij levensbedreigende ziektes is het andere koek. Dan gaat het om leven en dood en ben je als patiënt koortsachtig op zoek naar de best mogelijke behandeling. Op zo’n moment wil je vooral niet horen dat er niets aan te doen valt. In de fase van ultieme wanhoop zijn patiënten daarom tot veel bereid. Ze zijn bereid te geloven in zaken die niet werken en desnoods hun huis te verkopen, om toch maar een bepaalde dure therapie te kunnen volgen, in de hoop alsnog aan deze kant van het leven te blijven. Begrijpelijk.
Op zo’n ogenblik moet geneeskunde de rug rechten en zich principieel onderscheiden van kwakzalverij en uitbuiting. Zolang een therapie nog niet op punt staat en onvoldoende deugdelijk getest is, bevinden we ons in een studie­fase. Daarom kijken zoveel mensen mee – ethische commissies, andere wetenschappers – om te vermijden dat experimenteren ten koste gaat van patiënten, of dat zij onzorgvuldig geïnformeerd worden. Een wetenschappelijke studie waarbij mensen betrokken zijn, heeft nood aan procedures, democratische controle en wetenschappelijke toetsing. Die omkadering moet verhinderen dat artsen hun voorlopige bevindingen voor sluitende waarheid houden en dat patiënten, in al hun wanhoop, een blind vertrouwen krijgen in artsen die de neiging hebben hen voor te houden dat alles goed komt.
Risico’s
Artsen horen kennis te verzamelen om mensen te helpen. Dat verwachten we ook van hen. Als arts toegeven dat je iets (nog) niet weet, is nochtans het toppunt van wetenschap en hoe vreemd het ook klinkt, een kernelement in de zorg voor patiënten. Wie mensen voorhoudt dat de resultaten vaststaan terwijl dat niet zo is, bedriegt patiënten. Zelfs wanneer later blijkt dat de therapie succesvol is en artsen vanuit de best mogelijke ingesteldheid experimenteren omdat ze mensenlevens willen redden, moeten eerlijkheid en transparantie altijd vooropstaan. Natuurlijk wil iedereen positief nieuws horen, maar we moeten bij de feiten blijven. Correcte en gepaste informatie staat medische urgentie nooit in de weg.
Ik kan me goed voorstellen dat Van Gool met de best mogelijke intentie zijn behandeling ontwikkelt. Maar wanneer blijkt dat er tijdens studies zoveel onzorgvuldigheden zijn gebeurd, dan is het ontoelaatbaar om hiermee verder te gaan. De beslissing van UZ Leuven om de samenwerking stop te zetten, is daarom ook de enige juiste. De zwijgcultuur rond de ontslagregeling en de nog latente verbondenheid van de arts met de universiteit daarentegen zijn toonbeelden van hoe het niet moet. Ex-patiënten horen te weten wat er is gebeurd en hoe (on)betrouwbaar de behandeling is, toekomstige patiënten moeten weten waaraan ze beginnen en wetenschappers mogen geen omerta handhaven om elkaar te beschermen.
Transparantie
In feite is de discussie eenvoudig: indien een behandeling het leven van mensen kan redden, dan hebben de uitvinders ervan alle reden om met de grootst mogelijke transparantie te werk te gaan, zodat wereldwijd zoveel ­mogelijk mensen er baat bij kunnen hebben. De demon genaamd kanker kunnen we alleen bestrijden door kennis te delen en in elke fase van een onderzoek transparant te werk te gaan. Nu is de behandeling in kwestie peperduur, omdat ze nog in een studiefase zit en terugbetaling nog niet kan. We weten dus niet zeker of en welk resultaat de behandeling boekt, omdat de studies erover onvoldoende gecontroleerd zijn. Roepen om terugbetaling en tegelijk klinische studies uitvoeren in een grijze zone, is niet ernstig. Indien er goeie hoop is dat de therapie werkt, laat dan controle toe. Indien je dat niet doet, heb je iets te verbergen.
De enige manier waarmee de hedendaagse geneeskunde de kritiek van Roger Bacon uit de dertiende eeuw kan counteren, is dat ze meer dan ooit externe controle toelaat op alles wat gebeurt en dat ze daar zelf actief aan meewerkt. Soms zijn vergissingen onvermijdelijk, maar juist omdat patiënten genezen zo delicaat is, moeten we de grootst mogelijke openbaarheid nastreven. Daarom moet de zwijgcultuur die rond dit dossier hangt, dringend worden doorbroken. Zwijgen is een actieve vorm van medeplichtigheid. Elke betrokkene in dit delicate dossier moet zichzelf de gewetensvraag voorleggen waarmee Jacques ­Derrida een van zijn boeken heeft getiteld: hoe niet te spreken? Die vraag is ook mijn overweging geweest om hier niet over te zwijgen

Tuesday, March 21, 2017

De aanslagen van 22/03

Vorige week heb ik in een opiniestuk voor De Standaard opgeroepen om een moment van stilte en sprakeloosheid hoog te houden bij de herdenking van 22/03. We moeten nu vooral vooruit kijken en ons afvragen hoe we ons dagelijks leven opnieuw kunnen opnemen.

Vandaag heb ik voor 1 keer dat devies van stilte doorbroken om in Hautekiet (Radio 1, 210317) vooral daarvoor te pleiten, en een nieuw evenwicht te zoeken tussen beveiliging en weer ons normale leven opnemen. Voor wie de uitzending wil herbeluisteren, klik hier.


Tuesday, March 14, 2017

Column, De Standaard 140316: Over stilte, Orestes en het onverwachte

Sprakeloos zijn, laten we dat doen

Maart vorig jaar. De 22ste. Het was een zonnige ochtend, maar er raakten die dag mensen met bloed besmeurd. Zoals op 9/11, toen scheen de zon ook. Bij de ondertussen iconische foto van Nidhi Chaphekar, de stewardess die geschokt op een bank zat in de verwoeste hal in de luchthaven van Zaventem, kon ik maar aan één zin denken: ‘Goden, vanwaar dat bloed dat mij opeens bespat?’
Die fascinerende woorden komen uit de mond van Orestes in Andromaque, de Franse tragedie van Jean Racine. Aanslagen confronteren ons inderdaad met tragiek, geweld en bloed. Ook de stewardess was met bloed bespat en wist niet eens of het haar bloed was of dat van een ander slachtoffer. Sprakeloos was ze. Stil zijn en staren in de verte was het enige wat ze kon doen. Het stond in schril contrast met het oorverdovende gebabbel op radio en televisie.
Samen met het gebabbel kwamen meteen na de aanslagen de beschuldigingen op gang. Een minister haalde zwaar uit naar een verbindingsfiguur in Turkije, instanties schoven elkaar de zwartepiet door. En daarna natuurlijk, zoals bij elke aanslag, was er het geroep om meer beveiliging en informatie, en de vraag waarom niemand dit had kunnen voorzien. Maar er waren vooral uithalen en beschuldigingen, zoals die over een significant aandeel dansende moslims. Telkens met als boodschap dat het bloed vooral aan de handen van een ander kleeft, dat anderen hebben gefaald.
Als het om het leven en de dood zelf gaat, houden we vaak alleen de stilte over
Beschuldigen en uithalen, het zijn twee werkwoorden die na 22/3 frequent zijn ingezet om uit te maken wie de grootste schuld zou dragen. De aanslagplegers denk je dan, maar zo werkt dat blijkbaar niet. Altijd is er wel een ambtenaar aan te wijzen die even niet oplette, of een dienst die niet snel genoeg de informatie heeft doorgegeven, of een andere dienst die ze nooit heeft ontvangen. Zo werkt het doorgaans tussen diensten, maar bij aanslagen wordt zoiets ondraaglijk vanuit die ene allesbepalende vraag: wie had dit kunnen voorkomen?
Die vraag is wat mij betreft al een stap te ver. Moeten we ons niet eerst afvragen hóé je zoiets kunt vermijden? Natuurlijk kun je altijd schuldigen aanwijzen en bij flagrante fouten moet dat ook, maar hoe ga je daarna verder? Altijd alles bewaken? Over iedereen informatie bijhouden? Het drama van een wereld als de onze is dat, zelfs al vind je een schuldige, geen beveiliging of bescherming groot genoeg zal zijn om aanslagen de wereld uit te helpen. Altijd zullen er plaatsen zijn waar mensen samenkomen. Wie de ingang van een gebouw controleert om de mensen in het gebouw te beschermen, weet dat de rij die zich voor het gebouw vormt, het nieuwe doelwit kan zijn. En als je die rij bewaakt, is er altijd wel een andere plaats die niet wordt bewaakt, omdat je daar geen problemen verwacht.
De belangrijkste eigenschap van het onverwachte is dat het onverwachts gebeurt, zelfs al zit je er met je neus bovenop en beschik je over veel informatie. Het ondraaglijke is dat onverwacht geweld vaak, tegen alle veiligheidsmaat­regelen in, om kinderlijk eenvoudige handelingen gaat. Een zelfgemaakte bom, een taxirit, een tas: boem. En een dader die daarna rustig naar huis wandelt – tenslotte scheen die dag de zon. Het banale karakter ervan maakt geweld des te ondraaglijker.
We zijn bijna een jaar later. Slacht­offers en nabestaanden blijven verbijsterd en verstomd achter. Vorige week las ik dat een minister nog maar eens uithaalt, naar de verzekeraars deze keer (DS 9 maart) . Opnieuw beschuldigen dus. Natuurlijk moeten de slachtoffers vergoed worden – of, beter, ze hadden al lang vergoed moeten zijn. En zeker, waar we kunnen, moeten we antwoorden geven. Maar behalve de praktische orde is ook een houding nodig, een gebaar dat recht doet aan die dieptragische gebeurtenissen, iets op het ­niveau van de zin van Orestes. Een aantal vragen zal altijd onbeantwoord blijven: vanwaar het bloed dat mij besmeurt, waarom ben ik besmeurd en niet een ander, waar komt het bloed vandaan, waarom moet er bloed vloeien? Uiteindelijk blijven die existentiële vragen over bij de slachtoffers en hun nabestaanden.
Om het leed van hun verbrijzeld leven te verzachten, is er meer nodig dan praktische vragen beantwoorden. Bij tragiek en geweld hoort vooral sereniteit. En stilte, dat ook. Uit respect voor Nidhi en alle anderen. Als het er echt op aankomt in dit leven, als het om het leven en de dood zelf gaat, houden we vaak alleen nog de stilte over. Het liefst zou ik willen dat we de komende dagen wat stiller worden, dat we met gedempte stem spreken en een serene atmosfeer creëren. En dat we ons verbijsterd afvragen waarom het leven zo tragisch kan verlopen. Er rest nog een week om onszelf voor even het zwijgen aan te leren. Samen zwijgen kan zo veelzeggend zijn.

Sunday, March 5, 2017

Interview voor Terzake over mogelijk nieuwe doorbraak in kankeronderzoek

Op vrijdag 3 maart 2017 was ik te gast in Terzake om commentaar te geven bij een mogelijk nieuwe doorbraak in het kankeronderzoek. In de hoop dat die doorbraak er komt, heb ik ook om aandacht gevraagd voor het belang van leefstijl- en omgevingsfactoren, ook al is de test die wordt ontwikkeld van een andere orde. 

Verder heb ik zijdelings een kritische noot geplaatst bij het 'filantropische' model van waaruit dit bedrijf een grote som geld bijeen vergaard krijgt, of wanneer het gaat om een investering waarbij alleen winst zou voorop staan. Ter verduidelijking omdat daarna op Twitter nogal wat giftige opmerkingen hierover verschenen: winst is mooi en zeer goed dat ze dit geld krijgen, maar tegelijk moeten we ons vragen stellen of geven op basis van 'goed aanvoelen' het juiste uitgangspunt moet zijn om dergelijke urgente medische vraagstukken op te lossen, die ten slotte ons allen aangaan. Anders gezegd, rechtvaardigheid en liefdadigheid zijn complementair aan elkaar, niet ter vervanging van elkaar. En publieke gezondheid is tot nader order ook een publieke zaak die uiteraard ook met private middelen kan worden ondersteund. Maar dan moeten we ons telkens de vraag stellen waar prioritair die middelen het best naar uit gaan.


Klik hier om het interview te herbekijken. 

Friday, March 3, 2017

Hoort theologie thuis aan een universiteit? Mijn bijdrage aan het debat

KUNNEN SEISMOLOGEN AARDBEVINGEN VOORSPELLEN?

 DOCEERT MEDISCHE FILOSOFIE EN ETHIEK AAN DE UGENT EN DE ARTEVELDE-HOGESCHOOL, COLUMNIST VAN DEZE KRANT.
Theologen hebben na millennia nog steeds geen antwoord op de meest fundamentele vragen van hun kengebied. Voor Maarten Boudry is dat een criterium om theologie dan maar af te schaffen als academische discipline (DS 28 februari) .
Eigenaardig. Het antwoord schuldig blijven op basale vragen is een kern­eigenschap van zowat elke academische discipline, geen bewijs van wetenschappelijk onvermogen. Na vijfentwintig eeuwen hebben filosofen nog steeds geen antwoord gevonden op de meest fundamentele vragen van hun domein: wat is een goed mens, hoe moeten we samenleven, hoe kunnen we kennen of hoe moeten we handelen? Weten pedagogen hoe we een kind perfect moeten opvoeden? Sinds wanneer kunnen klimatologen het weer exact voorspellen of seismologen een aardbeving tot op de dag zelf situeren? Hebben economen ooit al een economische crisis kunnen profeteren? En hoe zit dat in de wiskunde, bestaat het getal oneindig nu echt of niet?
Het lijstje is eindeloos. En jawel, in sommige disciplines is er sterke vooruitgang omdat we door reductie van complexiteit en doorgedreven meetbaar wetenschappelijk onderzoek al heel wat kennis hebben verzameld. Maar zodra het over complexe zaken gaat, blijven de vragen vaak pal overeind. We kunnen veel meten, maar er is zoveel dat we niet weten. Hoe zou het ook.
Academische disciplines hebben, behalve wetenschappelijke kennis verzamelen, nog een andere kerntaak: ons bijbrengen dat we op de meeste fundamentele vragen geen antwoorden hebben en dat de (politieke) verleiding om te doen alsof dat wel zo is, een gevaarlijke illusie is. Beeld je eens in dat we wel denken te weten hoe we een kind moeten opvoeden of wat een juiste samenleving is?
Ook theologen kunnen bij die kritische taak van dienst zijn. Odo Marquard, een academische theoloog, wijst ons erop dat we in onze hedendaagse controledwang met toeval geen weg meer weten. Zeker wat het menselijk lijden aangaat, kunnen we steeds minder verdragen dat er niet voor elke ziekte meteen een therapie klaarligt. En als de geneeskunde faalt, zoeken we tot we een schuldige hebben gevonden. Hij noemt dat de wet van de toenemende ergernis.
Het ultieme bewijs
Als dat geen waardevol academisch inzicht is, van een theoloog. Want heus, denk je nu echt dat Marquard zich vandaag nog als een middeleeuwse scholast verwondert over de vraag hoeveel goden er bestaan? Zoals ik mij hier in een eerder stuk al afvroeg: zou het kunnen dat vandaag, meer dan theologen zelf, vooral sommige atheïsten zich om God bekommeren? Waarom bijvoorbeeld zo koortsachtig op zoek gaan naar het ultieme bewijs dat God niet zou bestaan? Is er soms een groeiende paniek dat hij misschien toch niet dood is, zoals Friedrich Nietzsche ons voorhield?
Als ik iets heb geleerd van theologie, dan dat hij die denkt te weten wie of wat God is, steeds van een kale reis thuis komt. God is nooit waar we denken dat die is. Welnu, leren omgaan met de onmogelijkheid om bij de waarheid aan te komen, is voor een vak als het onze – filosofie – maar bij uitbreiding voor elke academische discipline, een van de vele cruciale inzichten die theologie ons kan opleveren.
Illusoire kennis kan problematisch zijn, maar de (evangelische) gedachte dat we ooit alle illusies achter ons kunnen laten, evenzeer. Trouwens, alleen in de meest enge definitie van wetenschap – een één-op-één-verhouding tussen woorden en waarneembare objecten – kom je tot de stelling dat sommige disciplines beter op de schop kunnen. Ik hoopte dat we ondertussen geleerd hadden uit die mislukking genaamd logisch positivisme. Maar goed, juist omdat we altijd blijven struikelen over onszelf, is er wetenschap nodig, en filosofie, en literatuur, en menselijke verbeeldingskracht.

Tuesday, February 28, 2017

Mijn column van 28 februari 2017 in De Standaard: over ouderdom, De Ballade van Narayma en Franse colère

Het regent oude wijven, maar wie houdt de paraplu hoog?

Het viel wat tussen de plooien van geluidsnormen en politieke transparantie, maar vorige week verscheen een bijzonder bericht: als het wat meevalt – of tegenzit – zouden Zuid-Koreaanse vrouwen in 2030 als eerste de gemiddelde levensverwachting van negentig jaar bereiken. Daarna zullen andere landen volgen. Dat wijst een recent onderzoek uit onder leiding van Majid Ezzati, verbonden aan het Imperial College in Londen, en gepubliceerd in The Lancet.
Gemiddeld negentig jaar. Dan ben je pas een besje op je honderdste of zo. Fijn, maar hoe gaan we daarmee om? In onze samenleving hangt je sociale status vast aan je job. Geen werk, geen identiteit, geen activiteit, zo lijkt het wel. Wie je bent, is wat je doet. Daarom is met pensioen gaan ook veel meer dan het stopzetten van betaalde arbeid. Je verliest je identiteit en je sociale erkenning. Daarom zeggen zo veel gepensioneerden er snel bij dat ze nog actief zijn. Zomaar op rust zijn, staat niet goed. Je moet bezig blijven om nog iemand te zijn, zo niet is het afgelopen met je.
In De ballade van Narayama, de film van Shohei Imamura uit 1983, wordt dat vrij letterlijk geïnterpreteerd. Wanneer oude mensen niet langer van nut zijn voor de gemeenschap, moeten ze naar de berg Nara wegtrekken om er alleen te sterven. Alleen zo kan de gemeenschap iedereen van voldoende voedsel voorzien. Wie niets bijdraagt, is niets waard.
We duwen ouderen bij hun pensioen brutaal aan de kant, terwijl ze juist dan op hun best zijn
Zover drijven wij het niet. Wij vergoeden gepensioneerden – het Latijnse pensio betekent uitbetaling. Toch zit er iets grondig fout in onze kijk op ouderdom. We moeten af van het idee dat gepensioneerde mensen tot niets meer in staat zouden zijn. Alsof je boven je 67ste per definitie een bedlegerige luierconsument bent. Dat word je misschien als hoogbejaarde, maar zeker niet daarvoor.
Ouderen dragen met hun ervaring een pak wijsheid mee. Dat verdient een betere plaats dan nu. Uit schrik om van jongere collega’s het werk af te nemen of omdat ze te duur zijn, duwen we ouderen bij hun pensioen brutaal aan de kant. Terwijl ze juist dan op hun best zijn: ze hebben tonnen ervaring en nog de energie om advies te geven, bij te sturen of te organiseren. Elke organisatie heeft er baat bij om er gebruik van te maken.
Een bijdrage kunnen leveren is natuurlijk niet hetzelfde als er altijd te moeten staan. Recht hebben op rust is cruciaal. Veel senioren zijn blij niet meer de hele tijd te moeten werken, vanwege fysieke, psychische of sociale redenen. Maar tussen ‘recht op’ en ‘plicht tot’ ligt een zee van mogelijkheden. Waarom erkennen we niet formeel dat ouderen vaak helemaal niet passief zijn en bijzonder veel taken opnemen? Ze besturen vzw’s en beheerraden (zeker nu, met de vele politieke vacatures, zullen we ze hard nodig hebben), ze zorgen voor kleinkinderen en voor stokoude mensen, ze houden de economie draaiende door hun geld te spenderen en ze nemen vrijwilligerswerk op zich. Daar mag best iets tegenover staan.
Behalve financiële en sociale redenen om mensen te erkennen in wat ze doen, is er ook een existentiële behoefte waaraan we niet mogen voorbijgaan. Handelen doe je nooit voor jezelf alleen. Hoe zinvol je activiteit ook, indien niemand erkent wat je doet, ontstaat algauw het idee dat wat je doet waardeloos is, of – nog erger – dat je zelf nutteloos bent. Deel uitmaken van een sociaal netwerk is doorslaggevend om een zinvol leven te leiden. Met anderen bijeenkomen is cruciaal, maar laat het dan vooral meer zijn dan het doden van de verveling. Je bezighouden is niet hetzelfde als iets te doen hebben. Alleen wie niets meer te doen heeft, moet worden beziggehouden en dat werkt aderverkalking in de hand.
Elke samenleving is gebaat bij mensen die een bepaalde tijdspanne kunnen overschouwen en de waan van de dag tegengaan. Wie ouder is, kan doorgaans dingen beter in perspectief plaatsen. Dat hoeft niet gelijk te staan met berusting of met het idee je bij de dingen te moeten neerleggen. Op woede en verontwaardiging staan geen leeftijd. Zoals de Franse filosoof Jean-Luc Nancy ergens schrijft: ‘Parfois, il faut la colère.’ Of denk aan het essay Neem het niet! dat Stéphane Hessel op hoge leeftijd heeft geschreven. Hessel riep op tot verontwaardiging over de gang van zaken in onze samenleving. Het werd een internationale bestseller. Of herinner je de vraag die de 85-jarige Jan Terlouw ons onlangs voorlegde in De wereld draait door: waarom vertrouwen we elkaar niet meer? Zo’n belegen vraag stel je misschien niet op je 25ste, maar dát ze gesteld wordt, is een harde noodzaak voor ons allemaal.

Sunday, February 26, 2017

Interview Radio 1 Vandaag

Op vrijdag 24 februari was ik te gast bij Radio 1 Vandaag in Hilversum, voor een interview en een speech. Klik hier voor het interview.