Friday, June 30, 2017

Nieuw boek in het najaar

In het najaar verschijnt mijn nieuwe boek bij De Bezige Bij: Het empathisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid.

Op DONDERDAGAVOND 26 OKTOBER 2017 stel ik het in België voor in de theaterzaal van de Gentse Vooruit. Noteer nu alvast de datum. Een echte uitnodiging is voor later. In Nederland wordt er nog een voorstelling gepland. Later meer details.



Wednesday, June 28, 2017

Enkele beschouwingen

Aan het einde van de maand juni waren er nog enkele debatten die alle aandacht vereisten: de NIP test, maar ook andere issues zoals militairen op straat.

Herbekijk de Afspraak op vrijdag via deze link waar die laatste discussie ook aan bod komt.

Verder zijn er de vreselijke berichten uit Mosul en de onthoofdingen van kinderen. Op vraag van deredactie.be schreef ik een stuk hierover. Klik hier om het te lezen.

Voorts ontving ik nog goed nieuws over 2 nieuwe publicaties:

Healthcare teams as complex adaptive systems: focus on interpersonal interaction, met Dr. Peter Pype als eerste auteur en ik als laatste; Klik hier voor de link. 

En de tekst over Victims of disaster : can ethical debriefings be of help to care for their suffering? met mezelf als eerste auteur is nu ook gepubliceerd. Klik hier voor de link.







De komende maanden wordt het wat kalmer op het front van columns en opiniestukken om me volledig toe te leggen op het afwerken van een nieuw boek dat eind oktober zal verschijnen bij de Bezige Bij

Tuesday, June 20, 2017

Woede is een vorm van betrokkenheid (column DS, 200617)

Woede is een vorm van betrokkenheid

Enkele maanden geleden besloot essayist Pankaj Mishra een interview over zijn boek Tijd van woede met de volgende zin: ‘Pas als politici durven te spreken over vragen als “wat maakt ons een mens?”, zullen ze in staat zijn onze woede te temperen’ (DS 11 maart) .
Misschien had Theresa May dat boek beter ter hand genomen. Want woedend zijn ze, de mensen die de brand in de Grenfell Tower in hartje Londen hebben overleefd. Samen met veel anderen. Maar niet alleen in Londen zijn mensen woest. Dat zijn ook een groot aantal kiezers die op Donald Trump hebben gestemd of op Geert Wilders. Allemaal schreeuwen ze hun ongemak uit. Vraag mensen hoe ze denken over politici en de onvrede staat centraal. En zelf zijn Trump en Wilders, maar ook andere demagogische leiders zoals Marine Le Pen, de hele tijd woest.
De vraag naar de oorzaak van die alomtegenwoordigheid van onvrede of wrok, is makkelijk gesteld. Er een antwoord op geven is aartsmoeilijk. Mishra zelf wijst naar het mondiale kapitalisme dat volgens hem de belofte van een beter leven niet heeft waargemaakt. Overal ter wereld laven mensen zich aan een kapitalistische levensstijl die hen geluk en voorspoed belooft. Slechts weinigen bereiken dat ook. En zij die het bereiken, weten nooit zeker hoelang ze het kunnen vasthouden. Daarom is de angst groter dan het vertrouwen en klinkt de roep om bescherming steeds luider.
Wie woest is, verlangt naar beterschap en laat blijken dat de droom op een beter leven niet dood is
Want zo werkt mondiaal kapitalisme natuurlijk: tegenover de overdaad aan materiële goederen staat een aanhoudende druk tot verandering en flexibiliteit, een groeiende inkomensongelijkheid en het harde besef dat wat vandaag is, morgen niet meer kan zijn. Wie kan nog zeggen dat hij over werkzekerheid beschikt? Zelfs een winstgevend bedrijf kan er morgen de brui aan geven. In zo’n economische context is het logisch dat de emoties hoog oplopen en velen niet nog meer van hetzelfde willen.
Het onvermogen van klassieke partijen om dingen echt ten gronde te veranderen, is groot: voor welke partij je ook kiest, de beurzen blijven regeren. Dat was bij de kandidatuur van Hillary Clinton zeer duidelijk: wie op haar stemde, opteerde voor meer van hetzelfde. Terwijl nu vooral die figuren populair zijn die verandering beloven en tegen het systeem ageren. Ook dat heeft meegespeeld in de overwinning van Trump. Die verandering focust paradoxaal genoeg vooral op vasthouden van wat is, of op de terugkeer naar wat we denken dat ooit was: make America great again in de VS, La France et les français van Le Pen, Henk en Ingrid in Nederland.
Veel landen hebben ondertussen debatten achter de rug over hun identiteit of wat mensen bijeenhoudt. Dat is positief. Tegelijk is het type politici dat vandaag aan de macht is – Trump, Erdogan, Poetin, Orban – toch vooral bezig met zichzelf en het vergroten van het eigen machtsimperium. Kortom, met het kapitaliseren van hun winst. De kans is bijgevolg reëel dat ook hun beloftes van een stabiel en herbergzaam bestaan zullen uitlopen op een enorme teleurstelling. Vroeg of laat dringt het tot hun kiezers door dat de belofte van bescherming of een vaste identiteit niet veel meer was dan een voorwendsel om aan de macht te komen. En zo zijn we terug naar af. Of het wordt erger, want woede kan ook omslaan in razernij. Kijk naar de sadistische verschrikkingen van IS.
Met woede valt nochtans zoveel meer te doen. Het is, behalve een uiting van wanhoop, ook een vorm van betrokkenheid. Wie niet langer kwaad is, legt zich bij de feiten neer. Wie woest is, verlangt naar beterschap en laat blijken dat de droom op een beter leven nog niet dood is, maar dat de grens bereikt is. Dat is al met al hoopgevend: dat velen nog bereid zijn de limiet van hun kunnen aan te geven. Maar dan moet er wel iets mee gebeuren, of woede en wrok zullen zich blijven ophopen.
Volgens Mishra zit er maar één ding op: ingaan op een van de meest fundamentele vragen die we onszelf kunnen voorleggen, wat maakt ons een mens? Wat houdt ons bezig, boven op het materiële? Daar in volle ernst mee aan de slag te gaan, is de enige structurele uitweg uit die emotionele cocktail.
Theresa May kan dus maar beter goed luisteren naar het volk dat op straat komt. De betoging van vorige vrijdag was relatief kalm, maar dat zal niet blijven duren (DS 16 juni) . Het is trouwens pas van 2011 geleden dat er zware rellen waren in Londen, Manchester, Birmingham en andere steden in Engeland. Boris Johnson, Mays minister van Buitenlandse Zaken en toen nog burgemeester van Londen, zei toen lompweg dat het geen tijd was voor sociologische nonsens en dat de scumbags van de straat moesten worden geveegd. Misschien toch maar dat boek van Mishra lezen en er wat doordachte ‘nonsens’ bijhalen?

Tuesday, June 6, 2017

Hopen uit uitsterven: column in de Standaard van 06/06/2017

Hopen op uitsterven?

‘We hopen dat ze uiteindelijk zullen uitsterven’, zo liet Etienne Vermeersch afgelopen weekend optekenen in een interview met De Morgen over de NIP-test en het bestrijden van genetische afwijkingen. De ‘ze’ slaat op mensen met Down waarvan een niet nader bepaalde ‘we’ hoopt dat ze uiteindelijk uitsterven.
Het is niet mijn gewoonte om één zin uit een interview te selecteren maar deze quote maakt een wereld op zich uit. Hij leest als een vonnis. Niet alleen om wat er staat, maar ook door de onderlinge combinatie van de woorden. Allereerst het woord waarmee de zin begint: ‘we’. Over welk ‘wij’ gaat het hier? Wij Etienne Vermeersch, wij genetischeziekte- bestrijders? En dan die andere twee woorden: ‘uiteindelijk uitsterven’. Betekent het dat we in de toekomst alleen hen die het perfecte genetische plaatje kunnen voorleggen, bestaansrecht verlenen? Gesteld dat dit ooit de realiteit wordt, wie velt dan het vonnis over wat levensvatbaar is of niet? Welk ‘wij’ zal het woord voeren en in naam waarvan?
Het uitgangspunt van Vermeersch’ redenering is de plicht tot genetische optimalisatie. Eens we daarvan uitgaan, is elke beperking een doorn in het oog. Uiteraard, de redenering dat we geneeskunde moeten inzetten om vermijdbaar lijden te bestrijden, is nobel. Zo hoop ik dat kinderen die geboren worden met ziektes die van hun leven een hel maken, niet geboren moeten worden – tenzij we de ziekte kunnen bestrijden. Maar of we daarom ooit álle genetische beperkingen kunnen of moeten opheffen, blijft zeer de vraag.
Niet kunnen omgaan met onze beperkingen is het grootste onvermogen waaraan de mens lijdt
Voor alle duidelijkheid: ik ga niet mee in het argument dat lijden op zich waardevol is, wel dat het onvermijdelijk is. Liever een leven zonder al te veel ellende, maar zodra we elke beperking alleen als een bron van lijden interpreteren en optimalisatieplicht ons enige uitgangspunt is, dreigt de perfectiedwang ons handelen te domineren en over te slaan op andere terreinen. Dat is erg risicovol. Niet dat hier per definitie een groot eugenetisch programma achter schuilt. Het risico situeert zich eerder in het feit dat we niet langer in staat zouden zijn om met imperfecties om te gaan.
Het gevolg daarvan is dat op we medisch vlak dreigen te ontsporen. Wat zouden we doen na het uitsterven van Down? Richten we dan onze pijlen op mensen met pakweg autisme of depressie? Daar gaat immers ook veel lijden mee gepaard. Ook op het mentale terrein zijn er risico’s. Onszelf wijsmaken dat er ooit geen lijden meer zal zijn, is een verkeerd uitgangspunt. Waarom dat zo is, is eenvoudig: er zal altijd tragiek bestaan, zelfs bij genetische optimalisatie. Relaties zullen blijven stuklopen, we zullen het nog altijd eventjes koud hebben als we uit de warme douche stappen en de korst van een brood zal de dag nadien iets harder zijn. Wie het lijden wil uitroeien, organiseert een leven vol frustratie.
Als beperkingen nooit zullen uitsterven, waarom zouden mensen met Down dat moeten doen? Ik weet niet wat het betekent om zelf een kind met Down op te voeden, maar ik ken persoonlijk enkele mensen. Die leren mij dat het perspectief van ouder tot ouder sterk varieert, ook al omdat mensen met Down sterk van elkaar verschillen. Velen zijn goed in staat om een menswaardig leven te leiden, al is het nooit vanzelfsprekend. Daarom is de persoonlijke keuze zo belangrijk en de enige ‘wij’ in deze kwestie zouden de ouders moeten zijn. Zij verdienen maximale ondersteuning, los van het feit hoeveel mensen met Down bestaan. Indien we, zoals Vermeersch stelt, betere zorg kunnen aanbieden omdat er minder mensen met Down zijn, dan dreig je mee te stappen in een perverse economische redenering: uitsterven benaderen als een vorm van besparing in de zorg.
Om die reden mag je uitsterven nooit in een programma opnemen. Nu al neemt de maatschappelijke druk toe om een welbepaalde keuze te maken. De wijze waarop artsen patiënten informeren is daarom van groot belang. Mensen correct en machtsvrij inlichten, is niet eenvoudig maar wel beslissend voor de keuze die we maken. En die persoonlijke keuze moet behouden blijven (zie ook ‘Kiezen doe je niet in het luchtledige’DS 18 februari 2015).
Natuurlijk is het een goede zaak dat we nodeloos lijden kunnen beperken. Meer levenskwaliteit kan daar het gevolg van zijn. Maar denken dat je alle imperfecties de wereld uit kan helpen, is een hopeloze illusie en mensen met Down zijn niet hopeloos. Ze leiden vaak een moeizaam bestaan en vragen veel zorg, maar dat is iets anders. Vandaar mijn slotvraag: is het niet kunnen omgaan met onze beperkingen, niet het grootste onvermogen waaraan de mens lijdt? De Griekse tragedieschrijvers hadden dit al door en daarom confronteerden ze ons ermee. Nu nog de moraalfilosofen van onze tijd.

Tuesday, May 9, 2017

Verkracht en toch je kind behouden? (column De Standaard, 090517)

Verkracht en toch je kind behouden?

Het was een kort maar opmerkelijk bericht in de weekendkrant: een door verkrachting zwanger gemaakt meisje besluit haar kind te houden (DS 6 mei). De jonge moeder is bovendien minderbegaafd. Ze woont nu thuis bij haar ouders die haar zullen bijstaan in de opvoeding.
Tot daar het bericht. Ik heb het vele malen herlezen om haar dilemma in te schatten. Verkrachting is een verschrikkelijke daad. Als man is het onmogelijk om te weten wat verkrachting voor een vrouw betekent. En misschien is dat zelfs zo voor iedereen die niet verkracht is, vrouwen incluis. Met verkrachting wordt een plaats van genot en intimiteit omgezet in een blijvende herinnering aan bruut geweld en pijn. Met dergelijk leed – het leed van een ander – kun je meeleven, maar je bent nooit echt een ander. Hoogstens voel je mee. Dat gevoel kan zeer intens zijn, maar daarmee houdt het op. Hoe goedbedoeld ook, de slogan je suis … is onvermijdelijk een leugen.
Ik kan meeleven met dat meisje, maar ik weet totaal niet wat ze voelt of wat het betekent om van een kind te bevallen dat het resultaat is van bruut geweld. Niet alleen moet de verkrachting een vreselijk lot om te dragen zijn, een zwangerschap als gevolg daarvan maakt het nog vele malen zwaarder. Dat vrouwen bij een zwangerschap na verkrachting opteren voor abortus lijkt me wiedes: in de ogen van je kind wil je niet de herinnering aan absolute gruwel ontwaren.
Hoe goed­bedoeld ook, de slogan ‘je suis’ … is onvermijdelijk een leugen
Maar dit meisje maakt een andere keuze. Ze is bevallen en zal het kind opvoeden, samen met haar ouders. Zo’n beslissing stuit bij velen op ongeloof en verontwaardiging, ook al wegens de factor minderbegaafdheid, die mogelijk het opvoedingsproces extra lastig zal maken. Zulke omstandigheden lijken vooral een pleidooi te zijn om het kind niet te behouden.
Niettemin loont het de moeite om niet zomaar ons intuïtieve oordeel te volgen. Wie kan met de hand op het hart zeggen wat in zo’n geval het juiste besluit is? Laten we daarom in deze het tegendeel doen van hoe verontwaardiging doorgaans via sociale media naar buiten komt, want wie meteen verontwaardigd is, oordeelt nog voor hij heeft nagedacht. Nadenken begint pas nadat je hebt getwijfeld aan je eigen oordeel. Daartoe wil ik een beroep doen op een idee dat Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie, als methode gebruikte: epochè, of, ons oordeel opschorten.
Hoewel oorspronkelijk in een heel andere context gebruikt, wil ik het hier inzetten om te pleiten voor terughoudendheid in spontaan oordelen over een ander. Misschien zal dit kind in zeer moeilijke omstandigheden opgroeien, we kunnen niet uitsluiten dat het slecht zal verlopen. Daar bestaan getuigenissen van. In januari berichtte The Daily Mail er nog over. Het haalde daarbij vooral verhalen aan van het online platform Whisper. Daar kun je de meest uiteen­lopende statements lezen van vaak piepjonge vrouwen die na een verkrachting zwanger waren. Bij de vrouwen die niet tot abortus zijn overgegaan, valt op dat een aantal er toch in slaagt het kind met liefde te omarmen en die zorg zelfs te beschouwen als een overwinning op hun verkrachter. Maar evident is het nooit.
Daarmee suggereer ik niets. Het is nooit zonder meer goed of slecht om een kind te behouden, laat staan dat je tot een algemene stelregel zou kunnen overgaan. Ik pleit daarom nergens voor, behalve voor het recht op een persoonlijke beslissing, een gedegen maatschappe­lijke omkadering ervan en mildheid in ons oordeel over de ander. Een omkadering betekent niet dat een overheid zich het recht toe-eigent om zomaar beslissingen aan het individu te onttrekken. Dat zou ons terugbrengen in een paternalisme dat al lang de wereld uit had moeten zijn. Natuurlijk doen ­vele mensen wat niet goed is voor hen, maar beeld je eens een overheid in die ons moet behoeden voor alle dwaze beslissingen. In Noord-Korea weten ze er alles van.
Tegelijk is autonomie nooit absoluut en een van de moeilijkste kwesties blijft de vraag wanneer een overheid het recht heeft om mensen tegen zichzelf te beschermen. De vraag rijst bij vele medisch-ethische vraagstukken: anticonceptie verplichten omdat ouders hun kinderen verwaarlozen, ouders die weigeren hun kinderen te laten inenten. Telkens stuiten we op hetzelfde dilemma: welke graad van zelfvernietiging laten we toe? Als maatschappij tolereren we, bijvoorbeeld, dat mensen zich kapot­roken, werken, drinken of rijden. Dat is een lastige gedachte, maar bij opvoeding is het allemaal nog veel complexer. Om de eenvoudige reden dat we vooraf nooit weten hoe een beslissing uitpakt. En dus hebben we te leven met die onzekerheid. Of positief, met de hoop dat het zo goed mogelijk zal uitdraaien.
Ziedaar de moeilijke opgave als samenleving: mensen in staat stellen om voor zichzelf goeie keuzes te maken, terwijl we zelf nooit volledig weten welke ze zijn.

Tuesday, April 25, 2017

Column in De Standaard van 25/04/17: Is armoede een slechte gewoonte? Over de beleidsverklaring van staatssecretaris Demir

Is armoede een slechte gewoonte?

We zouden het in alle commotie over haar persoon haast vergeten, maar de nieuwe staatssecretaris voor Armoedebestrijding heeft een beleidsverklaring afgelegd. Daarin staat een zijdelingse, maar opvallende verwijzing naar het gebruik van motivatietechnieken tot gedragsverandering bij mensen in armoede.
Ik citeer: ‘Ik wil hen via slimme stimulering het gepaste en uitdrukkelijk positieve duwtje in de juiste richting geven.’ Zuhal Demir verwijst onder meer naar BIT (The Behavioral Insights Team) in Groot-Brittannië. Een van de doelstellingen van dit team is ‘mensen in staat stellen betere keuzes voor zichzelf te maken’.
Dat idee is niet nieuw. De hele gedachte achter empowerment is hierop gebaseerd: je maakt mensen sterker, zodat ze meer macht over hun leven verwerven. Ook nudging ligt in die lijn: (kleine) maatregelen die een bepaald soort gedrag bevorderen. Denk aan iets als gezonde voeding op ooghoogte leggen in de supermarkt om een betere leefstijl te bevorderen.
Bij de staats­secretaris zal een sms’je op tijd en stond – ‘niet tweeten Zuhal, niet tweeten!’ – ook niet volstaan
Klinkt plausibel allemaal, maar er schuilen addertjes onder het gras. Indien je zulke maatregelen niet inpast in een breed beleid, missen ze hun effect. Of ze maken de situatie erger dan voorheen. De grootste valkuil is met name dat je alle verantwoordelijkheid doorschuift naar het individu, terwijl de maatschappelijke context en de rest van het beleid onveranderd blijven.
Door technologie in te schakelen lijkt het alsof de dingen vanzelf gaan. Een of ander appje maakt wat lawaai op het gepaste moment, en klaar is kees, toch? Helaas, schijn bedriegt. Sms’jes op je telefoon om je aan iets te herinneren? Fijn, maar dan moet je er wel een hebben. En ook met die herinnering blijft tandartsbezoek even duur. Kortom, indien de omstandigheden gelijk blijven, leidt meer informatie hebben niet tot meer mogelijkheden. Het is zoals met geld sparen: ook al weet je dat het verstandig zou zijn, om te sparen heb je geld nodig en dat hebben mensen in armoede niet.
Daarom is de cruciale vraag: wat doet een overheid indien dit duwtje in de rug niet leidt tot gedragsverandering? Vaak dreigt ze dan met sancties. Want, zo redeneert ze, als je zelfs na dat extraatje nog steeds niet doet wat hoort, moet je wel van slechte wil zijn. Zo dreigt een beleid dat uitpakt met ogenschijnlijk positieve maatregelen uit te lopen op het tegendeel: een verregaande culpabilisering van de arme persoon in kwestie, omdat die er, zelfs met extra informatie, nog niet in slaagt te doen wat moet. Terwijl meer informatie niet noodzakelijk tot meer kansen leidt.
Die culpabilisering kun je vermijden door vooreerst positieve steun af te stemmen op het doelpubliek. Geletterde mensen gaan nu eenmaal beter om met techniek waardoor ze sneller tips of informatie oppikken. Vervolgens is het cruciaal om aan gedragssturing geen sancties te verbinden. Mensen in armoede genieten heus niet van de zorg die ze krijgen. Hun startsituatie is alleen van die aard dat het moeras waarin ze verzeild zijn geraakt, te diep is om er zomaar uit te stappen. Waar het hen vooral aan ontbreekt is geld en cognitieve vrijheid: alles staat in functie van de strijd tegen geldtekort, zodat de mentale ruimte voor andere zaken – gezondheid, opvoeding – vaak ontbreekt. Dan volstaan sms’jes niet.
Trouwens, een overheid die mensen daadwerkelijk wil empoweren moet – paradoxaal misschien – juist actiever worden dan voorheen. Gedrag duurzaam ombuigen kost tijd en heeft pas kans op slagen indien er een structureel beleid tegenover staat dat dit mogelijk maakt. Extra stimulansen moeten de kers op de taart zijn van een ondersteuningsbeleid, niet de vervanging ervan.
Mensen ondersteunen kan ook nooit alleen via technologische kanalen verlopen. Overleg en dialoog in real time blijven belangrijk om mensen beter in staat te stellen met dit alles om te gaan. Pas dan kunnen duwtjes ook een echte steun betekenen en tot meer individuele verantwoordelijkheid en zelfs kostenbesparingen leiden.
Iedereen weet dat menselijk gedrag een taaie klant is. Het omvat veel meer dan kennis alleen. Slechte gewoontes leren we bijgevolg niet snel af, ook al weten we beter. Denk ter illustratie aan de directe stijl van de staatssecretaris zelf: dat ze die na al die jaren nog steeds aanhoudt, zelfs al berokkent het haar schade, maakt duidelijk dat ook haar gedrag hardnekkig is. Ik neem aan dat in dit geval een ondersteunend sms’je op tijd en stond – ‘niet tweeten Zuhal, niet tweeten!’ – evenmin zal volstaan. Waarom zouden mensen in armoede daar beter in moeten zijn?
Uiteindelijk is het enige verschil tussen mensen in armoede en mensen met geldoverschot het volgende: we hebben allemaal slechte gewoontes, maar alleen mensen in armoede kunnen ze zich niet veroorloven, de anderen wel.

Tuesday, April 4, 2017

Opiniestuk over politieke situatie in Turkije (De Standaard, 010417)

Democratisch ruzie maken over Turkije, kan dat nog?

Zolang de Turkse president Erdogan zijn land totalitair bestuurt, wordt het erg link de komende jaren. Ook in Europa, merkt Ignaas Devisch.
Op 23 april 1920 keurde Mustafa Kemal Atatürk de ‘massamoord op de Armeniërs’ af als een ‘beschamende daad’. Op 21 maart 2017 orakelde Recep Tayyip Erdogan dat Europeanen ‘nergens ter wereld nog veilig kunnen rondlopen als jullie op die manier doorgaan’. Twee uitspraken die er absoluut toe doen en symbolisch een bepaalde tijdgeest samenvatten.
Volledig schetsen wat tussen die twee data in gebeurd is, kan niet binnen dit bestek, maar de vaststelling maken kan wel. Net als de zorg uitspreken om wat er momenteel in politiek Turkije en met Turken in Europa gebeurt, getuige het geweld donderdagavond aan de Turkse ambassade in Brussel. Dan gaat het niet alleen over de reeks ongehoorde uitspraken van Erdogan, maar vooral over de manier waarop in Turkije met macht wordt omgegaan.
Als de omschrijving van de Franse filosoof Claude Lefort klopt – democratie is een georganiseerde manier van ruzie maken – dan is het met Turkije slecht gesteld. Toelaten van interne verdeeldheid is volgens Lefort een van de cruciale kenmerken van een democratische samenleving. Omdat verschillende machtsbelangen tegen elkaar ingaan, is er een voortdurende strijd om de macht. Niet alleen tussen oppositie en meerderheid maar ook tussen de uitvoerende en de wetgevende macht. Verder zijn er het middenveld, de wetenschap, de media en de vrije meningsuiting van allen die mee een samenleving uitbouwen. Nog volgens die theorie is democratie gelijk aan ruzie maken om de macht, zij het via formele spelregels en instituten zodat het conflict nooit echt uit de hand loopt, maar er altijd plaats is om meningsverschillen met elkaar te confronteren.
Verstikkende eenheid
Wanneer ik enkele van mijn Turkse collega’s aanschrijf, durven ze via e-mail niet meer openlijk te reageren uit schrik voor controle
Anders gezegd: een democratie organiseert het ruzie maken om echte (gewelddadige) conflicten zoals die bij de ambassade te vermijden. Dat vertaalt zich ook in de omgang met de macht: iedereen strijdt om de macht en controleert tegelijk of anderen niet te veel de lakens naar zich toe trekken. Zo kan nooit iemand de plaats van de macht echt bezetten, omdat de vele belangen elkaar tegenwerken. Daarom, zo concludeert Lefort, is de plaats van de macht er symbolisch leeg: iedereen kan ze claimen maar niemand valt ermee samen; hoogstens kun je de macht tijdelijk vertegenwoordigen.
Hoe meer één iemand alles naar zich toe trekt, hoe groter het gevaar dat de democratie langzaam maar zeker overgaat in een ander regime. Dan blijft de plaats van de macht niet langer leeg omdat één sterke figuur zich opwerpt als de grote leider waarmee volk en land zich kunnen identificeren. Dan, aldus Lefort, hebben we niet langer te maken met democratie maar met totalitarisme. Terwijl democratie toelaat om zich van binnenuit kritisch uit te laten over dat regime en de machthebbers, geeft een totalitair systeem geen plaats aan het interne conflict. Het ruilt verdeeldheid in voor een verstikkende eenheid. Dan heet oppositie landverraad en worden kritische stemmen vijanden van het regime.
Dat is helaas in Turkije het geval. Erdogan heeft zo goed als alle politieke macht in handen, weegt zwaar door op de rechterlijke macht en het leger, kritische media wordt de mond gesnoerd en oppositie voeren is geen sinecure. Illustratief hiervoor is de scène waarop Erdogan zijn dreigement uitte. Officieel was het een evenement voor journalisten. Dan verwacht je kritische vragen, maar wat we te zien kregen, was een monoloog en een zaal vol applausmakers. Kritische en onafhankelijke media zijn nochtans cruciaal voor een goed werkende democratie, omdat ze garant staan voor controle op de macht. Kijk maar hoe de verkiezing van Trump ertoe heeft geleid dat vele Amerikaanse media zich nu des te kritischer opstellen en elke beleidsbeslissing met een vergrootglas analyseren.
Herinvoering doodstraf
Zeker na de couppoging in Turkije is het voor media, academici en gewone burgers zeer lastig om op een georganiseerde manier hun kritische stem te laten horen. Dus zwijgen velen. Wanneer ik enkele van mijn Turkse collega’s aanschrijf, durven ze via e-mail niet meer openlijk te reageren uit schrik voor controle. En dat voor een land dat jarenlang wou toetreden tot de Europese Unie. Niet toevallig wil Erdogan nu ook een tweede referendum om het volk te vragen of het nog wel wil toetreden tot de Unie. Daarnaast denkt hij eraan de doodstraf opnieuw in te voeren. Qua symboliek kan dit tellen.
Akkoord, we moeten ook naar onszelf kijken, want met Orban in Hongarije heeft Europa een slechte leerling en er zijn er nog die solliciteren voor dat profiel. Europa stond altijd dubbel tegenover de Turkse vraag tot toetreding in Europa. Maar zolang Erdogan het land op die manier bestuurt, wordt het erg link de komende jaren. Het gaat al lang niet meer om één persoon maar om een structurele en methodische omvorming van een regime die je niet zomaar ongedaan maakt. Wat er in Turkije gaande is, doet helaas denken aan de woorden van Polonius, de raadsman van koning Claudius uit Hamlet: ‘Though this be madness, yet there is method in ’t’ (al is het waanzin, er zit een methode achter).