Tuesday, May 9, 2017

Verkracht en toch je kind behouden? (column De Standaard, 090517)

Verkracht en toch je kind behouden?

Het was een kort maar opmerkelijk bericht in de weekendkrant: een door verkrachting zwanger gemaakt meisje besluit haar kind te houden (DS 6 mei). De jonge moeder is bovendien minderbegaafd. Ze woont nu thuis bij haar ouders die haar zullen bijstaan in de opvoeding.
Tot daar het bericht. Ik heb het vele malen herlezen om haar dilemma in te schatten. Verkrachting is een verschrikkelijke daad. Als man is het onmogelijk om te weten wat verkrachting voor een vrouw betekent. En misschien is dat zelfs zo voor iedereen die niet verkracht is, vrouwen incluis. Met verkrachting wordt een plaats van genot en intimiteit omgezet in een blijvende herinnering aan bruut geweld en pijn. Met dergelijk leed – het leed van een ander – kun je meeleven, maar je bent nooit echt een ander. Hoogstens voel je mee. Dat gevoel kan zeer intens zijn, maar daarmee houdt het op. Hoe goedbedoeld ook, de slogan je suis … is onvermijdelijk een leugen.
Ik kan meeleven met dat meisje, maar ik weet totaal niet wat ze voelt of wat het betekent om van een kind te bevallen dat het resultaat is van bruut geweld. Niet alleen moet de verkrachting een vreselijk lot om te dragen zijn, een zwangerschap als gevolg daarvan maakt het nog vele malen zwaarder. Dat vrouwen bij een zwangerschap na verkrachting opteren voor abortus lijkt me wiedes: in de ogen van je kind wil je niet de herinnering aan absolute gruwel ontwaren.
Hoe goed­bedoeld ook, de slogan ‘je suis’ … is onvermijdelijk een leugen
Maar dit meisje maakt een andere keuze. Ze is bevallen en zal het kind opvoeden, samen met haar ouders. Zo’n beslissing stuit bij velen op ongeloof en verontwaardiging, ook al wegens de factor minderbegaafdheid, die mogelijk het opvoedingsproces extra lastig zal maken. Zulke omstandigheden lijken vooral een pleidooi te zijn om het kind niet te behouden.
Niettemin loont het de moeite om niet zomaar ons intuïtieve oordeel te volgen. Wie kan met de hand op het hart zeggen wat in zo’n geval het juiste besluit is? Laten we daarom in deze het tegendeel doen van hoe verontwaardiging doorgaans via sociale media naar buiten komt, want wie meteen verontwaardigd is, oordeelt nog voor hij heeft nagedacht. Nadenken begint pas nadat je hebt getwijfeld aan je eigen oordeel. Daartoe wil ik een beroep doen op een idee dat Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie, als methode gebruikte: epochè, of, ons oordeel opschorten.
Hoewel oorspronkelijk in een heel andere context gebruikt, wil ik het hier inzetten om te pleiten voor terughoudendheid in spontaan oordelen over een ander. Misschien zal dit kind in zeer moeilijke omstandigheden opgroeien, we kunnen niet uitsluiten dat het slecht zal verlopen. Daar bestaan getuigenissen van. In januari berichtte The Daily Mail er nog over. Het haalde daarbij vooral verhalen aan van het online platform Whisper. Daar kun je de meest uiteen­lopende statements lezen van vaak piepjonge vrouwen die na een verkrachting zwanger waren. Bij de vrouwen die niet tot abortus zijn overgegaan, valt op dat een aantal er toch in slaagt het kind met liefde te omarmen en die zorg zelfs te beschouwen als een overwinning op hun verkrachter. Maar evident is het nooit.
Daarmee suggereer ik niets. Het is nooit zonder meer goed of slecht om een kind te behouden, laat staan dat je tot een algemene stelregel zou kunnen overgaan. Ik pleit daarom nergens voor, behalve voor het recht op een persoonlijke beslissing, een gedegen maatschappe­lijke omkadering ervan en mildheid in ons oordeel over de ander. Een omkadering betekent niet dat een overheid zich het recht toe-eigent om zomaar beslissingen aan het individu te onttrekken. Dat zou ons terugbrengen in een paternalisme dat al lang de wereld uit had moeten zijn. Natuurlijk doen ­vele mensen wat niet goed is voor hen, maar beeld je eens een overheid in die ons moet behoeden voor alle dwaze beslissingen. In Noord-Korea weten ze er alles van.
Tegelijk is autonomie nooit absoluut en een van de moeilijkste kwesties blijft de vraag wanneer een overheid het recht heeft om mensen tegen zichzelf te beschermen. De vraag rijst bij vele medisch-ethische vraagstukken: anticonceptie verplichten omdat ouders hun kinderen verwaarlozen, ouders die weigeren hun kinderen te laten inenten. Telkens stuiten we op hetzelfde dilemma: welke graad van zelfvernietiging laten we toe? Als maatschappij tolereren we, bijvoorbeeld, dat mensen zich kapot­roken, werken, drinken of rijden. Dat is een lastige gedachte, maar bij opvoeding is het allemaal nog veel complexer. Om de eenvoudige reden dat we vooraf nooit weten hoe een beslissing uitpakt. En dus hebben we te leven met die onzekerheid. Of positief, met de hoop dat het zo goed mogelijk zal uitdraaien.
Ziedaar de moeilijke opgave als samenleving: mensen in staat stellen om voor zichzelf goeie keuzes te maken, terwijl we zelf nooit volledig weten welke ze zijn.

Tuesday, April 25, 2017

Column in De Standaard van 25/04/17: Is armoede een slechte gewoonte? Over de beleidsverklaring van staatssecretaris Demir

Is armoede een slechte gewoonte?

We zouden het in alle commotie over haar persoon haast vergeten, maar de nieuwe staatssecretaris voor Armoedebestrijding heeft een beleidsverklaring afgelegd. Daarin staat een zijdelingse, maar opvallende verwijzing naar het gebruik van motivatietechnieken tot gedragsverandering bij mensen in armoede.
Ik citeer: ‘Ik wil hen via slimme stimulering het gepaste en uitdrukkelijk positieve duwtje in de juiste richting geven.’ Zuhal Demir verwijst onder meer naar BIT (The Behavioral Insights Team) in Groot-Brittannië. Een van de doelstellingen van dit team is ‘mensen in staat stellen betere keuzes voor zichzelf te maken’.
Dat idee is niet nieuw. De hele gedachte achter empowerment is hierop gebaseerd: je maakt mensen sterker, zodat ze meer macht over hun leven verwerven. Ook nudging ligt in die lijn: (kleine) maatregelen die een bepaald soort gedrag bevorderen. Denk aan iets als gezonde voeding op ooghoogte leggen in de supermarkt om een betere leefstijl te bevorderen.
Bij de staats­secretaris zal een sms’je op tijd en stond – ‘niet tweeten Zuhal, niet tweeten!’ – ook niet volstaan
Klinkt plausibel allemaal, maar er schuilen addertjes onder het gras. Indien je zulke maatregelen niet inpast in een breed beleid, missen ze hun effect. Of ze maken de situatie erger dan voorheen. De grootste valkuil is met name dat je alle verantwoordelijkheid doorschuift naar het individu, terwijl de maatschappelijke context en de rest van het beleid onveranderd blijven.
Door technologie in te schakelen lijkt het alsof de dingen vanzelf gaan. Een of ander appje maakt wat lawaai op het gepaste moment, en klaar is kees, toch? Helaas, schijn bedriegt. Sms’jes op je telefoon om je aan iets te herinneren? Fijn, maar dan moet je er wel een hebben. En ook met die herinnering blijft tandartsbezoek even duur. Kortom, indien de omstandigheden gelijk blijven, leidt meer informatie hebben niet tot meer mogelijkheden. Het is zoals met geld sparen: ook al weet je dat het verstandig zou zijn, om te sparen heb je geld nodig en dat hebben mensen in armoede niet.
Daarom is de cruciale vraag: wat doet een overheid indien dit duwtje in de rug niet leidt tot gedragsverandering? Vaak dreigt ze dan met sancties. Want, zo redeneert ze, als je zelfs na dat extraatje nog steeds niet doet wat hoort, moet je wel van slechte wil zijn. Zo dreigt een beleid dat uitpakt met ogenschijnlijk positieve maatregelen uit te lopen op het tegendeel: een verregaande culpabilisering van de arme persoon in kwestie, omdat die er, zelfs met extra informatie, nog niet in slaagt te doen wat moet. Terwijl meer informatie niet noodzakelijk tot meer kansen leidt.
Die culpabilisering kun je vermijden door vooreerst positieve steun af te stemmen op het doelpubliek. Geletterde mensen gaan nu eenmaal beter om met techniek waardoor ze sneller tips of informatie oppikken. Vervolgens is het cruciaal om aan gedragssturing geen sancties te verbinden. Mensen in armoede genieten heus niet van de zorg die ze krijgen. Hun startsituatie is alleen van die aard dat het moeras waarin ze verzeild zijn geraakt, te diep is om er zomaar uit te stappen. Waar het hen vooral aan ontbreekt is geld en cognitieve vrijheid: alles staat in functie van de strijd tegen geldtekort, zodat de mentale ruimte voor andere zaken – gezondheid, opvoeding – vaak ontbreekt. Dan volstaan sms’jes niet.
Trouwens, een overheid die mensen daadwerkelijk wil empoweren moet – paradoxaal misschien – juist actiever worden dan voorheen. Gedrag duurzaam ombuigen kost tijd en heeft pas kans op slagen indien er een structureel beleid tegenover staat dat dit mogelijk maakt. Extra stimulansen moeten de kers op de taart zijn van een ondersteuningsbeleid, niet de vervanging ervan.
Mensen ondersteunen kan ook nooit alleen via technologische kanalen verlopen. Overleg en dialoog in real time blijven belangrijk om mensen beter in staat te stellen met dit alles om te gaan. Pas dan kunnen duwtjes ook een echte steun betekenen en tot meer individuele verantwoordelijkheid en zelfs kostenbesparingen leiden.
Iedereen weet dat menselijk gedrag een taaie klant is. Het omvat veel meer dan kennis alleen. Slechte gewoontes leren we bijgevolg niet snel af, ook al weten we beter. Denk ter illustratie aan de directe stijl van de staatssecretaris zelf: dat ze die na al die jaren nog steeds aanhoudt, zelfs al berokkent het haar schade, maakt duidelijk dat ook haar gedrag hardnekkig is. Ik neem aan dat in dit geval een ondersteunend sms’je op tijd en stond – ‘niet tweeten Zuhal, niet tweeten!’ – evenmin zal volstaan. Waarom zouden mensen in armoede daar beter in moeten zijn?
Uiteindelijk is het enige verschil tussen mensen in armoede en mensen met geldoverschot het volgende: we hebben allemaal slechte gewoontes, maar alleen mensen in armoede kunnen ze zich niet veroorloven, de anderen wel.

Tuesday, April 4, 2017

Opiniestuk over politieke situatie in Turkije (De Standaard, 010417)

Democratisch ruzie maken over Turkije, kan dat nog?

Zolang de Turkse president Erdogan zijn land totalitair bestuurt, wordt het erg link de komende jaren. Ook in Europa, merkt Ignaas Devisch.
Op 23 april 1920 keurde Mustafa Kemal Atatürk de ‘massamoord op de Armeniërs’ af als een ‘beschamende daad’. Op 21 maart 2017 orakelde Recep Tayyip Erdogan dat Europeanen ‘nergens ter wereld nog veilig kunnen rondlopen als jullie op die manier doorgaan’. Twee uitspraken die er absoluut toe doen en symbolisch een bepaalde tijdgeest samenvatten.
Volledig schetsen wat tussen die twee data in gebeurd is, kan niet binnen dit bestek, maar de vaststelling maken kan wel. Net als de zorg uitspreken om wat er momenteel in politiek Turkije en met Turken in Europa gebeurt, getuige het geweld donderdagavond aan de Turkse ambassade in Brussel. Dan gaat het niet alleen over de reeks ongehoorde uitspraken van Erdogan, maar vooral over de manier waarop in Turkije met macht wordt omgegaan.
Als de omschrijving van de Franse filosoof Claude Lefort klopt – democratie is een georganiseerde manier van ruzie maken – dan is het met Turkije slecht gesteld. Toelaten van interne verdeeldheid is volgens Lefort een van de cruciale kenmerken van een democratische samenleving. Omdat verschillende machtsbelangen tegen elkaar ingaan, is er een voortdurende strijd om de macht. Niet alleen tussen oppositie en meerderheid maar ook tussen de uitvoerende en de wetgevende macht. Verder zijn er het middenveld, de wetenschap, de media en de vrije meningsuiting van allen die mee een samenleving uitbouwen. Nog volgens die theorie is democratie gelijk aan ruzie maken om de macht, zij het via formele spelregels en instituten zodat het conflict nooit echt uit de hand loopt, maar er altijd plaats is om meningsverschillen met elkaar te confronteren.
Verstikkende eenheid
Wanneer ik enkele van mijn Turkse collega’s aanschrijf, durven ze via e-mail niet meer openlijk te reageren uit schrik voor controle
Anders gezegd: een democratie organiseert het ruzie maken om echte (gewelddadige) conflicten zoals die bij de ambassade te vermijden. Dat vertaalt zich ook in de omgang met de macht: iedereen strijdt om de macht en controleert tegelijk of anderen niet te veel de lakens naar zich toe trekken. Zo kan nooit iemand de plaats van de macht echt bezetten, omdat de vele belangen elkaar tegenwerken. Daarom, zo concludeert Lefort, is de plaats van de macht er symbolisch leeg: iedereen kan ze claimen maar niemand valt ermee samen; hoogstens kun je de macht tijdelijk vertegenwoordigen.
Hoe meer één iemand alles naar zich toe trekt, hoe groter het gevaar dat de democratie langzaam maar zeker overgaat in een ander regime. Dan blijft de plaats van de macht niet langer leeg omdat één sterke figuur zich opwerpt als de grote leider waarmee volk en land zich kunnen identificeren. Dan, aldus Lefort, hebben we niet langer te maken met democratie maar met totalitarisme. Terwijl democratie toelaat om zich van binnenuit kritisch uit te laten over dat regime en de machthebbers, geeft een totalitair systeem geen plaats aan het interne conflict. Het ruilt verdeeldheid in voor een verstikkende eenheid. Dan heet oppositie landverraad en worden kritische stemmen vijanden van het regime.
Dat is helaas in Turkije het geval. Erdogan heeft zo goed als alle politieke macht in handen, weegt zwaar door op de rechterlijke macht en het leger, kritische media wordt de mond gesnoerd en oppositie voeren is geen sinecure. Illustratief hiervoor is de scène waarop Erdogan zijn dreigement uitte. Officieel was het een evenement voor journalisten. Dan verwacht je kritische vragen, maar wat we te zien kregen, was een monoloog en een zaal vol applausmakers. Kritische en onafhankelijke media zijn nochtans cruciaal voor een goed werkende democratie, omdat ze garant staan voor controle op de macht. Kijk maar hoe de verkiezing van Trump ertoe heeft geleid dat vele Amerikaanse media zich nu des te kritischer opstellen en elke beleidsbeslissing met een vergrootglas analyseren.
Herinvoering doodstraf
Zeker na de couppoging in Turkije is het voor media, academici en gewone burgers zeer lastig om op een georganiseerde manier hun kritische stem te laten horen. Dus zwijgen velen. Wanneer ik enkele van mijn Turkse collega’s aanschrijf, durven ze via e-mail niet meer openlijk te reageren uit schrik voor controle. En dat voor een land dat jarenlang wou toetreden tot de Europese Unie. Niet toevallig wil Erdogan nu ook een tweede referendum om het volk te vragen of het nog wel wil toetreden tot de Unie. Daarnaast denkt hij eraan de doodstraf opnieuw in te voeren. Qua symboliek kan dit tellen.
Akkoord, we moeten ook naar onszelf kijken, want met Orban in Hongarije heeft Europa een slechte leerling en er zijn er nog die solliciteren voor dat profiel. Europa stond altijd dubbel tegenover de Turkse vraag tot toetreding in Europa. Maar zolang Erdogan het land op die manier bestuurt, wordt het erg link de komende jaren. Het gaat al lang niet meer om één persoon maar om een structurele en methodische omvorming van een regime die je niet zomaar ongedaan maakt. Wat er in Turkije gaande is, doet helaas denken aan de woorden van Polonius, de raadsman van koning Claudius uit Hamlet: ‘Though this be madness, yet there is method in ’t’ (al is het waanzin, er zit een methode achter).

Wednesday, March 29, 2017

Dossier Dr. Van Gool

Op maandag 27 maart 2017 publiceerde De Standaard een onderzoeksdossier over Dr. Van Gool. In diverse media kwam dit ruimschoots aan bod. Ik gaf onder meer toelichting op Radio 1 (De Wereld Vandaag) en het VTM Journaal. Enige duiding is hier toch op zijn plaats want procedures zoals een informed consent die veel meer is dan zomaar een papier. Mensen informeren is een cruciale voorwaarde om tot een goed onderbouwde en patiëntgecentreerde zorg.

In De Standaard van 28 maart 2017 heb ik mijn column gewijd aan deze heikele kwestie. Klik hier om dit stuk te lezen.


Hieronder kun je ook de integrale tekst van mijn stuk lezen.

Ethiek is net zo urgent als genezen

Geneeskunde kan enkel goed functioneren als ze omgeven wordt door ethische procedures, wetenschappelijke controle en complete transparantie. Alleen op die manier, aldus Ignaas Devisch, kan ze zich onderscheiden van kwakzalverij en uitbuiting.
Wie? Doceert medische filosofie en ethiek aan de UGent en de Artevelde-hogeschool. Deze opinie­­bijdrage vervangt zijn tweewekelijkse column.
Wat? Juist omdat patiënten genezen zo delicaat is, moeten we de grootst mogelijke openbaarheid nastreven.
Experimenteren
Bij het bestuderen van het dossier van Stefaan Van Gool (DS 27 maart) moest ik meteen denken aan een opmerkelijk boek uit de dertiende eeuw, geschreven door Roger Bacon,De erroribus medicorum (Over de fouten van de artsen). Bacon geeft er de artsen van langs, maar in één passage van het boek vraagt hij ook om begrip: omdat artsen te maken hebben met mensen, kunnen ze niet zomaar experimenteren zoals in andere wetenschappen, terwijl experimenten essentieel zijn om wetenschappelijke vooruitgang te boeken. Daarom, besluit Bacon, moeten we begrijpen dat geneeskunde een moeilijke discipline is.
Bij die vaststelling kan het natuurlijk niet blijven. Begrip voor fouten is één ding. De plicht om fouten te vermijden, een ander. Alle regelgeving en ethiek die sinds decennia de gezondheidszorg omringen, vertrekken vanuit die plicht en zijn één langgerekte poging om een antwoord te bieden op de delicate situatie waarin geneeskunde zich bevindt: hoe op een experimentele manier vooruitgang boeken in het genezen van mensen zonder dat patiënten er slachtoffer van worden? Het dilemma in dezen is even duidelijk als hardnekkig: wie niet experimenteert, staat stil; wie onzorgvuldig experimenteert, loopt het risico slachtoffers te maken. Daarom kan een goed functionerende geneeskunde alleen maar bestaan wanneer ze omringd wordt door ethische procedures, wetenschappelijke controle en de grootst mogelijke openbaarheid in alles wat ze doet.

Leven en dood
Veel artsen zullen het niet graag lezen, maar zolang er pa­tiënten bestaan, kan geneeskunde nooit een exacte wetenschap zijn, wel een experimentele. Stap met een resem klachten verschillende artsenpraktijken binnen en de kans is groot dat je met uiteen­lopende diagnoses thuiskomt. Dat is geen verwijt, wel een belangrijke vaststelling. De moeilijkheidsgraad in het afbakenen en behandelen van symptomen blijft vaak groot. Daarom volgen zij die ermee aan de slag gaan een lang­durige en goed onderbouwde opleiding. Tenslotte gaat het om mensenlevens.
Wie patiënten voorhoudt dat de resultaten vaststaan terwijl dat niet zo is, bedriegt hen
Een bepaalde mate van onzekerheid bij de behandeling van schimmel onder de teennagels zal misschien weinig mensen verontrusten. Bij levensbedreigende ziektes is het andere koek. Dan gaat het om leven en dood en ben je als patiënt koortsachtig op zoek naar de best mogelijke behandeling. Op zo’n moment wil je vooral niet horen dat er niets aan te doen valt. In de fase van ultieme wanhoop zijn patiënten daarom tot veel bereid. Ze zijn bereid te geloven in zaken die niet werken en desnoods hun huis te verkopen, om toch maar een bepaalde dure therapie te kunnen volgen, in de hoop alsnog aan deze kant van het leven te blijven. Begrijpelijk.
Op zo’n ogenblik moet geneeskunde de rug rechten en zich principieel onderscheiden van kwakzalverij en uitbuiting. Zolang een therapie nog niet op punt staat en onvoldoende deugdelijk getest is, bevinden we ons in een studie­fase. Daarom kijken zoveel mensen mee – ethische commissies, andere wetenschappers – om te vermijden dat experimenteren ten koste gaat van patiënten, of dat zij onzorgvuldig geïnformeerd worden. Een wetenschappelijke studie waarbij mensen betrokken zijn, heeft nood aan procedures, democratische controle en wetenschappelijke toetsing. Die omkadering moet verhinderen dat artsen hun voorlopige bevindingen voor sluitende waarheid houden en dat patiënten, in al hun wanhoop, een blind vertrouwen krijgen in artsen die de neiging hebben hen voor te houden dat alles goed komt.
Risico’s
Artsen horen kennis te verzamelen om mensen te helpen. Dat verwachten we ook van hen. Als arts toegeven dat je iets (nog) niet weet, is nochtans het toppunt van wetenschap en hoe vreemd het ook klinkt, een kernelement in de zorg voor patiënten. Wie mensen voorhoudt dat de resultaten vaststaan terwijl dat niet zo is, bedriegt patiënten. Zelfs wanneer later blijkt dat de therapie succesvol is en artsen vanuit de best mogelijke ingesteldheid experimenteren omdat ze mensenlevens willen redden, moeten eerlijkheid en transparantie altijd vooropstaan. Natuurlijk wil iedereen positief nieuws horen, maar we moeten bij de feiten blijven. Correcte en gepaste informatie staat medische urgentie nooit in de weg.
Ik kan me goed voorstellen dat Van Gool met de best mogelijke intentie zijn behandeling ontwikkelt. Maar wanneer blijkt dat er tijdens studies zoveel onzorgvuldigheden zijn gebeurd, dan is het ontoelaatbaar om hiermee verder te gaan. De beslissing van UZ Leuven om de samenwerking stop te zetten, is daarom ook de enige juiste. De zwijgcultuur rond de ontslagregeling en de nog latente verbondenheid van de arts met de universiteit daarentegen zijn toonbeelden van hoe het niet moet. Ex-patiënten horen te weten wat er is gebeurd en hoe (on)betrouwbaar de behandeling is, toekomstige patiënten moeten weten waaraan ze beginnen en wetenschappers mogen geen omerta handhaven om elkaar te beschermen.
Transparantie
In feite is de discussie eenvoudig: indien een behandeling het leven van mensen kan redden, dan hebben de uitvinders ervan alle reden om met de grootst mogelijke transparantie te werk te gaan, zodat wereldwijd zoveel ­mogelijk mensen er baat bij kunnen hebben. De demon genaamd kanker kunnen we alleen bestrijden door kennis te delen en in elke fase van een onderzoek transparant te werk te gaan. Nu is de behandeling in kwestie peperduur, omdat ze nog in een studiefase zit en terugbetaling nog niet kan. We weten dus niet zeker of en welk resultaat de behandeling boekt, omdat de studies erover onvoldoende gecontroleerd zijn. Roepen om terugbetaling en tegelijk klinische studies uitvoeren in een grijze zone, is niet ernstig. Indien er goeie hoop is dat de therapie werkt, laat dan controle toe. Indien je dat niet doet, heb je iets te verbergen.
De enige manier waarmee de hedendaagse geneeskunde de kritiek van Roger Bacon uit de dertiende eeuw kan counteren, is dat ze meer dan ooit externe controle toelaat op alles wat gebeurt en dat ze daar zelf actief aan meewerkt. Soms zijn vergissingen onvermijdelijk, maar juist omdat patiënten genezen zo delicaat is, moeten we de grootst mogelijke openbaarheid nastreven. Daarom moet de zwijgcultuur die rond dit dossier hangt, dringend worden doorbroken. Zwijgen is een actieve vorm van medeplichtigheid. Elke betrokkene in dit delicate dossier moet zichzelf de gewetensvraag voorleggen waarmee Jacques ­Derrida een van zijn boeken heeft getiteld: hoe niet te spreken? Die vraag is ook mijn overweging geweest om hier niet over te zwijgen

Tuesday, March 21, 2017

De aanslagen van 22/03

Vorige week heb ik in een opiniestuk voor De Standaard opgeroepen om een moment van stilte en sprakeloosheid hoog te houden bij de herdenking van 22/03. We moeten nu vooral vooruit kijken en ons afvragen hoe we ons dagelijks leven opnieuw kunnen opnemen.

Vandaag heb ik voor 1 keer dat devies van stilte doorbroken om in Hautekiet (Radio 1, 210317) vooral daarvoor te pleiten, en een nieuw evenwicht te zoeken tussen beveiliging en weer ons normale leven opnemen. Voor wie de uitzending wil herbeluisteren, klik hier.


Tuesday, March 14, 2017

Column, De Standaard 140316: Over stilte, Orestes en het onverwachte

Sprakeloos zijn, laten we dat doen

Maart vorig jaar. De 22ste. Het was een zonnige ochtend, maar er raakten die dag mensen met bloed besmeurd. Zoals op 9/11, toen scheen de zon ook. Bij de ondertussen iconische foto van Nidhi Chaphekar, de stewardess die geschokt op een bank zat in de verwoeste hal in de luchthaven van Zaventem, kon ik maar aan één zin denken: ‘Goden, vanwaar dat bloed dat mij opeens bespat?’
Die fascinerende woorden komen uit de mond van Orestes in Andromaque, de Franse tragedie van Jean Racine. Aanslagen confronteren ons inderdaad met tragiek, geweld en bloed. Ook de stewardess was met bloed bespat en wist niet eens of het haar bloed was of dat van een ander slachtoffer. Sprakeloos was ze. Stil zijn en staren in de verte was het enige wat ze kon doen. Het stond in schril contrast met het oorverdovende gebabbel op radio en televisie.
Samen met het gebabbel kwamen meteen na de aanslagen de beschuldigingen op gang. Een minister haalde zwaar uit naar een verbindingsfiguur in Turkije, instanties schoven elkaar de zwartepiet door. En daarna natuurlijk, zoals bij elke aanslag, was er het geroep om meer beveiliging en informatie, en de vraag waarom niemand dit had kunnen voorzien. Maar er waren vooral uithalen en beschuldigingen, zoals die over een significant aandeel dansende moslims. Telkens met als boodschap dat het bloed vooral aan de handen van een ander kleeft, dat anderen hebben gefaald.
Als het om het leven en de dood zelf gaat, houden we vaak alleen de stilte over
Beschuldigen en uithalen, het zijn twee werkwoorden die na 22/3 frequent zijn ingezet om uit te maken wie de grootste schuld zou dragen. De aanslagplegers denk je dan, maar zo werkt dat blijkbaar niet. Altijd is er wel een ambtenaar aan te wijzen die even niet oplette, of een dienst die niet snel genoeg de informatie heeft doorgegeven, of een andere dienst die ze nooit heeft ontvangen. Zo werkt het doorgaans tussen diensten, maar bij aanslagen wordt zoiets ondraaglijk vanuit die ene allesbepalende vraag: wie had dit kunnen voorkomen?
Die vraag is wat mij betreft al een stap te ver. Moeten we ons niet eerst afvragen hóé je zoiets kunt vermijden? Natuurlijk kun je altijd schuldigen aanwijzen en bij flagrante fouten moet dat ook, maar hoe ga je daarna verder? Altijd alles bewaken? Over iedereen informatie bijhouden? Het drama van een wereld als de onze is dat, zelfs al vind je een schuldige, geen beveiliging of bescherming groot genoeg zal zijn om aanslagen de wereld uit te helpen. Altijd zullen er plaatsen zijn waar mensen samenkomen. Wie de ingang van een gebouw controleert om de mensen in het gebouw te beschermen, weet dat de rij die zich voor het gebouw vormt, het nieuwe doelwit kan zijn. En als je die rij bewaakt, is er altijd wel een andere plaats die niet wordt bewaakt, omdat je daar geen problemen verwacht.
De belangrijkste eigenschap van het onverwachte is dat het onverwachts gebeurt, zelfs al zit je er met je neus bovenop en beschik je over veel informatie. Het ondraaglijke is dat onverwacht geweld vaak, tegen alle veiligheidsmaat­regelen in, om kinderlijk eenvoudige handelingen gaat. Een zelfgemaakte bom, een taxirit, een tas: boem. En een dader die daarna rustig naar huis wandelt – tenslotte scheen die dag de zon. Het banale karakter ervan maakt geweld des te ondraaglijker.
We zijn bijna een jaar later. Slacht­offers en nabestaanden blijven verbijsterd en verstomd achter. Vorige week las ik dat een minister nog maar eens uithaalt, naar de verzekeraars deze keer (DS 9 maart) . Opnieuw beschuldigen dus. Natuurlijk moeten de slachtoffers vergoed worden – of, beter, ze hadden al lang vergoed moeten zijn. En zeker, waar we kunnen, moeten we antwoorden geven. Maar behalve de praktische orde is ook een houding nodig, een gebaar dat recht doet aan die dieptragische gebeurtenissen, iets op het ­niveau van de zin van Orestes. Een aantal vragen zal altijd onbeantwoord blijven: vanwaar het bloed dat mij besmeurt, waarom ben ik besmeurd en niet een ander, waar komt het bloed vandaan, waarom moet er bloed vloeien? Uiteindelijk blijven die existentiële vragen over bij de slachtoffers en hun nabestaanden.
Om het leed van hun verbrijzeld leven te verzachten, is er meer nodig dan praktische vragen beantwoorden. Bij tragiek en geweld hoort vooral sereniteit. En stilte, dat ook. Uit respect voor Nidhi en alle anderen. Als het er echt op aankomt in dit leven, als het om het leven en de dood zelf gaat, houden we vaak alleen nog de stilte over. Het liefst zou ik willen dat we de komende dagen wat stiller worden, dat we met gedempte stem spreken en een serene atmosfeer creëren. En dat we ons verbijsterd afvragen waarom het leven zo tragisch kan verlopen. Er rest nog een week om onszelf voor even het zwijgen aan te leren. Samen zwijgen kan zo veelzeggend zijn.

Sunday, March 5, 2017

Interview voor Terzake over mogelijk nieuwe doorbraak in kankeronderzoek

Op vrijdag 3 maart 2017 was ik te gast in Terzake om commentaar te geven bij een mogelijk nieuwe doorbraak in het kankeronderzoek. In de hoop dat die doorbraak er komt, heb ik ook om aandacht gevraagd voor het belang van leefstijl- en omgevingsfactoren, ook al is de test die wordt ontwikkeld van een andere orde. 

Verder heb ik zijdelings een kritische noot geplaatst bij het 'filantropische' model van waaruit dit bedrijf een grote som geld bijeen vergaard krijgt, of wanneer het gaat om een investering waarbij alleen winst zou voorop staan. Ter verduidelijking omdat daarna op Twitter nogal wat giftige opmerkingen hierover verschenen: winst is mooi en zeer goed dat ze dit geld krijgen, maar tegelijk moeten we ons vragen stellen of geven op basis van 'goed aanvoelen' het juiste uitgangspunt moet zijn om dergelijke urgente medische vraagstukken op te lossen, die ten slotte ons allen aangaan. Anders gezegd, rechtvaardigheid en liefdadigheid zijn complementair aan elkaar, niet ter vervanging van elkaar. En publieke gezondheid is tot nader order ook een publieke zaak die uiteraard ook met private middelen kan worden ondersteund. Maar dan moeten we ons telkens de vraag stellen waar prioritair die middelen het best naar uit gaan.


Klik hier om het interview te herbekijken.