Tuesday, September 27, 2016

Interview van Gils en Gasten

Op maandag 26 september was ik te gast bij Van Gils&Gasten. Het interview begint op minuut 36 van de uitzending. Klik hier voor de link om het te bekijken.

Of in afzonderlijk fragment, klik hier.
Oh ja, de uitzending draaide rond rust en evenwicht. En ik mocht wat tegengas geven...






Sunday, September 25, 2016

Essay over Sitoshi Uematsu (De Standaard, 24 september 2016)

Het absurde geweld valt niet te bewaken

Door extreme of onverklaarbare daden te benoemen, proberen we de herhaling ervan tegen te houden. Dat is natuurlijk ijdele hoop, schrijft IGNAAS DEVISCH.
Wie? Doceert medische filosofie en ethiek aan de UGent.

Wat? We zullen altijd handen en middelen tekortkomen om ons in te dekken tegen alle risico’s waaraan een samenleving blootgesteld is.


Op 26 juli 2016 beleefde Japan de ergste naoorlogse terreurdaad. Satoshi Uematsu, een 26jarige man, drong een zorghuis binnen, gijzelde enkele medewerkers en ging vervolgens de bewoners – mensen met een meervoudige handicap – met messen te lijf. Resultaat: 19 doden en 26 zwaargewonden. Daarna gaf hij zichzelf aan, met een brede grijns op het gezicht. Wereldwijd glipte het nieuwsfeit grotendeels tussen de mazen van de media. Onterecht, maar misschien wel veelzeggend. Want wat moeten we met zijn absurde daden, die niet alleen de meest kwetsbaren treffen, maar bovendien werden gepleegd in naam van een pervers revolutionair ideaal? Uematsu pleegde vooral geen impulsieve daad. Vlak nadien twitterde hij: ‘Ik hoop op wereldvrede.’ Dat moet dan een wereldvrede zonder beperkingen zijn, want als exwerknemer van het getroffen tehuis had hij het plan opgevat om zijn land van gehandicapten te bevrijden. Andere werknemers van het zorghuis maakten melding van zijn sympathieën voor Hitler. Hij schreef een brief naar het Japans parlement. Naar aanleiding daarvan werd hij een tijdje opgenomen in de psychiatrie, om vervolgens gezond te worden verklaard. Niet dus.
 
Endlösung
In de brief getuigt Uematsu van een schrikwekkende actiebereidheid. Niet alleen zou de wereld er zonder mensen met een beperking beter aan toe zijn, ook financieel zou het een slok op de borrel schelen. Het wordt tijd, zo gaat hij verder, dat we een moeilijke beslissing nemen en vanuit een revolutionair elan deze mensen ‘euthanaseren’ om onszelf van de ondergang te redden. Hij eindigt met een beangstigend gedetailleerde beschrijving van wat hij zal doen, hoe hij zich zal aangeven, en ook welke straf hij verdient: na twee jaar gevangenisstraf moet hij opnieuw vrijkomen, een nieuwe identiteit krijgen en financiële steun ontvangen. Allemaal omdat hij bereid is geweest om deze historische missie op zich te nemen. De ideologie waarop deze man zich beroept is deze van het sociaal darwinisme – help de geschiedenis een handje door de zwakkeren weg te selecteren – en die van het nationaalsocialisme – alleen de sterkeren verdienen het te overleven. In deze visie zijn meervoudig gehandicapten enkel een last, zowel maatschappelijk als economisch. In enkele lijntjes van zijn brief stelt hij zijn beknopte versie van de Endlösung voor om het probleem van mensen met een beperking voor eens en voor altijd van de baan te ruimen.

Wie zich door Hitler laat inspireren, vertrekt inderdaad van die gedachte, maar wat heeft Uematsu ertoe overgehaald om zijn ideeën in daden om te zetten? Als we een verklaring zoeken, hebben we de neiging om op gedrag een bepaalde stroming of naam te kleven, en dan over te gaan tot de orde van de dag. Of we nu iemand gestoord, ziek, bestiaal, nazistisch of fundamentalistisch noemen, wat hebben we dan verklaard? Denk aan de dader van Nice afgelopen zomer: velen haastten zich om te zeggen dat hij aan het eind van zijn leven heel snel geradicaliseerd was. Daarmee beschrijf je wel iets, maar verklaar je aan het eind van de dag bitter weinig.
 
Depressieve piloot
Hoe sterk een bepaalde achtergrond, aanleg of ideologie ook aanwezig kan zijn, wanneer het om menselijk gedrag gaat, is er een ‘contingente’ logica aan het werk. Contingent betekent: niet dwingend of niet noodzakelijk. Soms gebeurt iets, soms niet, en het is niet omdat het soms gebeurt, dat het een volgende keer ook zo zal zijn. Dat is lastig en vooral onbevredigend omdat we natuurlijk een verklaring willen vinden om het geweld een plaats te geven. Maar die verklaring stokt vrij snel. Psychische stoornissen bijvoorbeeld leiden niet per definitie tot geweld en daarom verklaren ze het geweld ook niet. Het is niet omdat ik depressief ben, dat ik als piloot altijd een vliegtuig tegen een berg laat aanvliegen, en omgekeerd, omdat ik het doe, dat de aanwezigheid van depressie een afdoende verklaringsgrond zou bieden. En toch stoppen de analyses hier meestal en stellen we ons, tegen beter weten in, tevreden met het feit dat we een verklaring hebben gevonden.

Daartoe zoeken we in hét brein, hét DNA of dé opvoeding tot we iets hebben geïsoleerd en gedefinieerd dat plausibel klinkt: depressie, slechte jeugd, foute vrienden. Maar het is niet omdat pakweg iets in de hersenen waarneembaar is, dat alle mensen bij wie dezelfde hersenactiviteit te meten valt, zich op dezelfde manier zullen gedragen. En toch geloven we graag dat het wel zo is. Is het dat we geen blijf weten met een gebrek aan verklaring? Of dat het ons tegen de borst stuit dat mensen soms absurde en totaal onverklaarbare daden plegen die we dan ten einde raad als zinloos moeten omschrijven? Liever dan sprakeloos achter te blijven, geven we onverklaarbare daden een bepaalde betekenis mee en hopen we door ze een naam of label toe te kennen een herhaling ervan te vermijden.

En dan gaan we over tot selectief risicomanagement om toch maar de indruk van beheersbaarheid te geven. Als een depressieve piloot een vliegtuig tegen een berg laat aanvliegen, dan worden plots alle piloten gescreend op depressie. Of wanneer geradicaliseerde jongeren aanslagen plegen, gaan we op zoek naar mensen met radicale ideeën om ze aan te wijzen en onszelf de illusie te geven daarmee alles onder controle te hebben.
 
Valse hoop
Dat kan natuurlijk nooit. De meeste terreurdaden gebeuren door mensen en op plaatsen waar je het niet verwacht, zoals bijvoorbeeld een zorghuis in Japan. Daarom noemen we het ook terreurdaden. En zelfs al heeft Uematsu zijn daden aangekondigd, ze waren zo grotesk dat niemand ze voor waar hield. Toch zijn ze gepleegd. Na de feiten is het natuurlijk makkelijk om met de vinger te wijzen naar de psychiater in kwestie, of de voorzitter van het Japans parlement. Maar moeten we dan elke briefschrijver met zotte gedachten beschouwen als een potentiële massamoordenaar? Ook al moeten we waakzaam zijn, we kunnen ons onmogelijk wapenen tegen alle motieven die mogelijk tot gewelddaden aanzetten.

Dat zal altijd zo blijven. Indien de opmars van terreur iets duidelijk maakt, dan wel dat we handen en middelen tekortkomen om ons in te dekken tegen alle risico’s waar een samenleving aan blootgesteld is. Hoeveel militairen je ook de straat op stuurt, het geweld kan altijd ergens anders toeslaan, in al zijn onbevattelijkheid. Bruut geweld is niet nieuw, wel onze ambitie om het te kunnen controleren. Lunatics zoals Uematsu maken pijnlijk duidelijk dat we beter niet te veel valse hoop koesteren. Misschien wou hij zelf wel ontsnappen aan de absurditeit van zijn leven en het alsnog een zin toekennen? Wat er ook van zij, hij had beter Albert Camus gelezen in plaats van Adolf Hitler. Dan had hij geweten dat, ook al is het leven absurd, je er toch intens van kan genieten.

Tuesday, September 20, 2016

Column De Standaard 12 september 2016

IS ZIEK ZIJN EEN ZWAKTE?

Wat een onvergeeflijke fout maakte Hillary Clinton toch, zo schrijven velen: ze heeft niet meteen gemeld dat ze een longontsteking had. En nu is ze dus onbetrouwbaar? Wat een heisa. Maar ja, wie president moet worden, moet blijkbaar alles publiek maken, ook medische gegevens.Natuurlijk beschikt een toekomstige president van de VS best over een goeie gezondheid. En neen, zij is niet meer van de jongste, maar Donald Trump is dat evenmin. Door niet meteen in te gaan op haar gezondheidssituatie bevestigt Clinton niet zozeer de gedachte dat ze onbetrouwbaar is. Integendeel, indien ze met haar verklaringen iets heeft aangetoond, dan wel haar gebrek aan vaardigheid om goed te liegen. Nochtans is dat een eigenschap die je als president erg nodig hebt. Je moet nu eenmaal vaak voor de buitenwereld zaken verzwijgen omdat je niet alles meteen openbaar kan maken en sommige dossiers zelfs nooit. Er is dus nog werk aan de winkel.Daarnaast heeft Clinton met de geheimdoenerij over haar ziekte nog iets anders aangetoond. Door ‘I’m feeling great’ uit te roepen terwijl ze een longontsteking heeft, voedt ze de kwalijke overtuiging dat ziek zijn een te verbergen zwakte is, die je als persoon ongeschikt maakt om een hoge functie uit te oefenen. Daarom kan Trump nu als winnaar uit de bus komen en uitroepen hoe gezond hij wel is. Clinton had dit perfect kunnen voorkomen door aan te geven dat ze zich rot voelt omdat ze ziek is en dat ze heel even een break nodig heeft. Daarmee was de kous af en hoefde ze hier niet verder op in te gaan. Nu zullen de media blijven zoeken naar andere kwalen en dreigt ze haar hele medische achtergrond te moeten openbaar maken om dit stop te zetten.Blijft de vraag waarom zij, en misschien ook wij, ziek zijn beschouwen als een zwakte. Ziek zijn is geen zwakte omdat gezond zijn ook nooit zomaar je verdienste is. Gezond leven helpt je natuurlijk vooruit, maar er is zoveel meer: genetische aanleg, omgeving, opvoeding of arbeidsomstandigheden. Een ziekte heb je zeker niet altijd in de hand. Het overkomt je, maar toch loert vaak de suggestie om de hoek dat je, eens ziek geweest, niet langer inzetbaar bent om topprestaties te leveren. En dan spreken we in het geval van Clinton nog maar over een tijdelijke, fysieke aandoening. Stel je eens voor dat ze volgende week verklaart af en toe depressief te zijn. Vermoedelijk zou ze bij de verkiezingen geen staat binnenhalen, want aan een president mag natuurlijk geen enkel gebrek kleven. Waarom toch?De gezondheid van Clinton is een relevante kwestie, maar de suggestie dat een longontsteking haar capaciteit als president zou ondermijnen, gaat te ver. Longontstekingen komen en gaan en we kunnen er vlot van genezen. Door ze te verbergen moet Clinton paradoxalerwijs mogelijk haar hele medische situatie openbaar maken om haar vege lijf te redden. Zoals Björn Soenens aangaf in zijn podcast hierover op deredactie.be: ‘Wie privacy wil, moet geen president van de VS willen worden.’ Dat klopt. De president van de VS is een publiek figuur, maar hoever gaan we daarin? Willen de media straks live haar bloeddruk observeren, of regelmatig een update ontvangen van haar darmflora? De Amerikaanse presidentsverkiezingen lijden aan wat socioloog Richard Sennett omschrijft als ‘de tirannie van de intimiteit’. Om verkozen te raken moeten politici steeds meer hun privéleven prijsgeven. Alle aandacht gaat uit naar de mens achter de politicus. Het komt er daarom op aan een goed imago van jezelf verkocht te krijgen aan het grote publiek. Minder dan ooit doet het er toe welke ideeën je als politicus aanlevert, maar des te meer wie je bent. Daarom moet je je als persoon helemaal blootgeven, want iets achterhouden staat gelijk aan iets verbergen en dat maakt je verdacht.In De cirkel houdt Dave Eggers ons het toekomstbeeld voor van deze evolutie: een computerbedrijf slaagt erin politici te overtuigen om volledig ‘transparant te worden’. Dat betekent dat ze een SeeChange-camera rond de nek hangen waarmee ze 24/7 beelden doorsturen over zichzelf, zodat iedereen kan volgen waar ze gaan en met wie ze praten. Nadat één parlementslid ermee begonnen is, moeten de anderen wel volgen want ‘als je niet transparant bent, heb je iets te verbergen’.
We staan inderdaad nog niet aan de vooravond van deze evolutie. Maar we zijn wel goed op weg en pas dan dreigt elk kuchje nieuws te worden. Hillary Clinton laat zich beter snel verkiezen voor de SeeChange-camera eraan komt. 

Thursday, September 8, 2016

Interview over ruwe zeden op sociale media

Op donderdag 8 september werd ik geïnterviewd in het programma Hautekiet (Radio 1) over twitter en grof taalgebruik.

Om te herbeluisteren (vanaf min 10 begint het), klik hier.

Wednesday, September 7, 2016

Column in De Standaard (060916)

Politieke incorrectheid is al te gemakkelijk

Geen stuk gaat voorbij zonder het verwijt van politieke correctheid. Maar wat betekent dat in godsnaam ‘politiek correct’ zijn? De herkomst van het begrip is complex. Het staat voor een bepaalde vorm van orthodoxie. Interessant is dat sommige stalinisten die de harde partijlijn volgden als politiek correcten werden omschreven.
Vandaag is het politiek correct om politiek incorrect te zijn
Later, zeg maar de laatste twee decennia van de vorige eeuw, is het steeds meer gebruikt door rechtse partijen om linkse rakkers te verwijten dat ze de realiteit verbloemen, met alle clichés van dien. Vandaag is de term aan inflatie onderhevig en hoe meer hij valt, hoe minder geloofwaardig het gebruik ervan. Zeggen dat niet alle moslims terroristen zijn? Politiek correct! Argumenteren dat niet elke hoofddoekdraagster onderdrukt wordt? Politiek correct!
Je moet een kat een kat noemen, zo heet het dan, en velen zouden dat niet durven, nog steeds niet blijkbaar, want het is de laatste tijd zoeken naar een opiniestuk waarin dit verwijt niet valt. Maar wie zijn dan al die politiek correcten tegen wie we vechten? Waar zijn al de politieke partijen, kranten en opiniemakers die de realiteit hopeloos verbloemen? Als je haast dagelijks mensen in allerlei media hoort schreeuwen dat ze dingen niet mogen zeggen of dat alleen de politiek correcte stemmen aan bod komen, dan moet het toch zijn dat de politiek incorrecte stem meer dan goed vertegenwoordigd is?
Politiek incorrect zijn is zo mainstream als maar kan. Van rechts naar flinks, steeds gaat het om durven te benoemen en wijzen waar het op staat. Vandaag is het politiek correct om politiek incorrect te zijn. Het is een interessante maar hardnekkige paradox waaraan de bestrijders van de politieke correctheid niet ontsnappen. De afgelopen twee decennia is er nooit zoveel benoemd, aangewezen of aangeduid als tevoren. In onderscheid met de periode van Mao of Stalin kan iedereen vandaag vlotjes tegen de heersende orde ingaan.
Waarom dan nog de term gebruiken indien we onszelf uitputten in het onthullen van de harde realiteit? En bovenal: vanwaar de noodzaak om te spreken over ‘politiek correct’ en niet gewoon ‘correct’? De term verraadt waarover het gaat. Correct zijn – de feiten weergeven zoals ze zijn – is allerminst eenvoudig. Van zodra we het politieke veld betreden, analyseert iedereen de feiten vanuit de eigen ideologische bril. Dingen benoemen is de werkelijkheid geweld aandoen, want wat benoem je en wat niet? Waarom focussen we op het een en niet op het ander? Omdat we onvermijdelijk vooringenomen zijn op basis van ons politieke gedachtegoed of onze levensvisie. Wantrouw daarom de politicus wiens zin begint met ‘ik stel gewoon vast…’ Die frase heeft de schijn van neutraliteit mee, maar dient meestal om een tegenstander te vloeren met de selectieve weergave van uit de context gerukte feiten, om daarna de imaginaire tegenstander politieke correctheid te verwijten.
Stellingen van anderen als politiek correct afdoen, is bovenal een vorm van intellectuele gemakzucht. Je positioneert jezelf als moreel superieur tegenover de lafaards die dat niet zouden durven. Dat is handig in een debat, maar het blijft een truc. Alsof jouw ‘moedige’ versie van de feiten per definitie juister zou zijn. Alles hangt ervan af wat je benoemt, hoe je dat doet, in welke mate je de nuance behoudt en wat er daarna met je vaststelling gebeurt. Is wijzen op de link tussen stijgende sociale ongelijkheid en sociale problemen minder moedig dan uitroepen dat kutmarokkanen oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers? Is de suggestie dat de opkomst van IS een politiek probleem is dat mee veroorzaakt werd door de Amerikaanse inval in Irak per definitie een vorm van postmoderne schroom of een masochistische zelfbeschuldiging?
Zoals wegkijken van de feiten niet helpt, is het eenvoudig aanduiden ervan niet noodzakelijk een stap vooruit. Bruut benoemen is niet eens zo moedig – het is wat je een kind afleert wanneer het genadeloos wijst naar iemand in de publieke ruimte omdat het onbeleefd overkomt. Ooit zat ik in de trein en een kind naast mij wees naar iemand en riep ‘kijk een gastarbeider’. Schaamte overviel iedereen, hoewel humor de bovenhand haalde. Vandaag zou het kind een andere term gebruiken en volgt er misschien zelfs cynisch applaus vanop bepaalde banken.
Heeft politiek incorrect zijn ons dan zoveel winst opgeleverd? Het hangt er maar vanaf met welke ideologische bril je het bekijkt. Maar dat we politiek – lees: ideologisch – naar de wereld kijken, staat vast. Nu nog erkennen dat niemand hieraan ontsnapt. Pas dan hebben we alsnog winst geboekt en kan het debat over de feiten echt beginnen.

Sunday, September 4, 2016

Opiniestuk in NRC Handelsblad (3 september 2016)

Wees blij dat je vakantie weer voorbij is

Opinie Nauwelijks terug en nu alweer verlangen naar vakantie? Bedenk dat verveling ondraaglijker is dan drukte, schrijft Ignaas Devisch. We leven om te werken, niet andersom.
De zomervakantie is voorbij. De dagelijkse routine van werken-eten-slapen is opnieuw begonnen. Het cliché wil dat we er weer helemaal tegenaan kunnen, uitgerust als we zijn. De batterijen zijn opgeladen.
Maar waarom klagen zovelen dan dat ze na één dag werken alweer doodmoe zijn en dat de tijdsdruk parten speelt? Is het allemaal voor niets geweest, die dure vakantie waarnaar we zo hard hebben verlangd? Of is er meer aan de hand?
De vraag die ertoe doet, is deze: waarom nemen we vakantie? Behalve dat het een soort burgerlijke plicht is om te pochen met exotische reisbestemmingen, is het doel toch vaak uitrusten, niets doen of iets anders doen. We nemen vakantie om onze tijd te vullen met zaken die we als zinvol beschouwen. Voor sommigen is dat actief zijn, voor anderen volstaan cocktails en een zwembad. Maar bovenal staat vakantie symbool voor controle over je dagorde.
Terug aan het werk is de ontnuchtering vaak groot: het werkritme is onveranderd gebleven, die ergerlijke collega is er nog steeds en je moet tegen deadlines aan werken die anderen voor jou hebben opgesteld. Weg controle en zelfbeschikking.

Cocktails slurpen in een all inclusive resort

Dat klinkt zeer negatief en lijkt uit te lopen op een pleidooi voor een langzamer leven, maar laten we ook even de keerzijde belichten. Beeld je eens het volgende leven in: je hebt het hele jaar door niets te doen, je werkt tijdens de zomer drie weken in een hels tempo om daarna opnieuw een jaar niets te doen en elke dag cocktails te slurpen in een duur all inclusive resort. Welke van de twee levens verkies je?
Natuurlijk is dat een weinig realistische voorstelling van zaken, maar ik wil hiermee de volgende gedachte opwerpen: het eeuwige nietsdoen lijkt als idee aantrekkelijk, maar wat indien het onze realiteit zou zijn? Zouden we ons niet snel te pletter vervelen? Vraag het maar aan werklozen, ouderen, mensen die zich eenzaam voelen of gewoon een uitzichtloos leven leiden: iets om handen hebben en het gevoel van sociale erkenning is cruciaal voor het levensgeluk van zowat iedereen.
Het fantasma van de eeuwige vakantie doet mij denken aan de Franse filosoof Blaise Pascal. In zijn boek Gedachten schrijft hij enkele bladzijden over het spanningsveld tussen iets willen doen enerzijds en verveling anderzijds. Hij komt tot de volgende conclusie: „Zo gaat het hele leven voorbij. We streven naar een rustig leven door te strijden tegen het een of ander dat in de weg staat, en als we het uit de weg geruimd hebben, wordt de rust ondraaglijk door de verveling die ze veroorzaakt. We moeten daaraan ontsnappen en kunnen niet anders dan om drukte smeken”.
Pascal gaat er vanuit dat de mens er niet in slaagt om niets te doen. Recent onderzoek van psycholoog Timothy Wilson van de University of Virginia lijkt dat te bevestigen. Aan proefpersonen werd gevraagd om 6 tot 15 minuten alleen in een kamer te zitten en niets te doen, behalve nadenken. Dat lijkt een bescheiden opgave, maar veel proefpersonen vonden het knap lastig.
Tijdens de tweede en laatste fase van het onderzoek liet men opnieuw proefpersonen alleen in een kamer, maar nu konden ze zichzelf een elektrische schok toedienen. Wat bleek: maar liefst 12 van de 18 mannen drukten op de knop, 6 van de 24 vrouwen deden hetzelfde.

Al eeuwen klaagt de mens over drukte

Zoals gezegd: het zalige nietsdoen klinkt als idee aantrekkelijk, maar willen we dat wel? Misschien is uitzichtloze verveling nog ondraaglijker dan drukte? We klagen natuurlijk graag over drukte – en uiteraard is de klacht ook vaak gegrond – maar als we een jaar lang alleen maar klagen over onrust en drukte, waarom laten we het jachtige leven dan niet achter ons? Stel, het is echt zo erg en we beleven maar drie weken per jaar een zinvolle periode – dat houdt geen hond toch vol?
Om het anders te formuleren: zouden werken en drukte alleen maar frustratie en lijden genereren, dan hadden deze motieven zich nooit wereldwijd kunnen manifesteren als centrale drijfveren van het moderne bestaan. Al eeuwen weerklinkt de klacht dat ons leven te druk is. En tegelijk moeten we vaststellen dat we daarna steeds harder zijn blijven doorwerken. Ook al beschikken we vandaag over aanzienlijk meer vrije tijd dan onze voorouders, toch lijken we minder tijd over te houden en klagen we over te korte dagen.
Uiteraard moeten we klachten ernstig nemen en op onze hoede zijn voor uitbuiting of te hard werken, maar blijkbaar zijn er toch velen onder ons bereid om hard te werken voor een goed leven. Zelfs al klagen we over de drukte, in het diepst van ons hart willen we blijkbaar niet alleen stilstaan maar ook vooruitgaan. Soms lopen we onszelf voorbij, maar even vaak lukt het ons het juiste evenwicht te vinden en dan willen we niets liever dan meer en beter. Wat is er fijner dan de voldoening nadat je een deadline hebt gehaald en tevreden bent over het resultaat?
Dan heb ik het natuurlijk niet over mensen die in sweatshops in een hels tempo spijkerbroeken moeten naaien. We mogen vooral niet blind zijn voor de gevolgen van de time is money economie en de druk die dat met zich meebrengt. Als tijd geld is, dan is uitrusten geld verliezen. Het gevolg daarvan is natuurlijk onrust en tijdsdruk.

Modeshows na het avondbanket, noem maar op

Maar er is meer. Als we alleen maar zouden kreunen onder die tijdsdruk, waarom plannen we dan onze weekends vol met activiteiten, hebben we allemaal drie hobby’s en willen we ook nog die wereldreis maken voor we dertig jaar oud zijn? Is dat allemaal omdat de economie ons daartoe verplicht of is er meer aan de hand?
Mijn vraag is retorisch. Naast de verplichtingen zijn er ook veel zaken die we willen doen, omdat het verlangen iets te doen of iemand te zijn ons voortdrijft. Deze drive beschouw ik als een positief gegeven want wie ‘m niet heeft, zal snel klagen over gebrek aan passie of perspectief in het leven. Levensmoeheid en verveling zijn minstens een even groot probleem als de gevolgen van te hard werken of een te druk leven. Niets doen of tot niets meer in staat zijn maakt dat we langzaam maar zeker uitdoven en steeds minder perspectief in ons leven kunnen binnenlaten. Dan toch maar wat meer rusteloos en minder lusteloos?
Het komt erop aan iets te vinden waarin we ons herkennen en kunnen ontplooien. Dan zullen we waarschijnlijk minder snakken naar de eeuwige rust waarmee toeristische folders uitpakken om klanten te lokken. De belofte van zalig nietsdoen, ver weg van het jachtige, drukke leven, werkt aanstekelijk en doet ons verlangen naar heerlijke rustmomenten, maar is het niet grappig dat op die zon/zee/vakantieplekken allerlei activiteiten worden georganiseerd om de verveling tegen te gaan: aquagym, paardrijden, karaoke, een quiz, modeshows na het avondbanket, noem maar op.
In de all inclusive resorts hebben professionele begeleiders er een dagtaak aan om de naar rust en ontspanning zoekende toeristen bezig te houden.
Misschien moeten sommigen tijdens hun eerste werkdag vooral uitrusten van de zware vakantie en is het een kwestie om een al te bruuske overgang te vermijden. Veel zo niet alles hangt ook af van het soort werk dat we uitoefenen: wie zichzelf herkent in wat hij of zij doet en die activiteit als zinvol ervaart, zal waarschijnlijk minder snel verlangen naar het onbewoonde eiland.
Helaas hebben velen onder ons afstompende taken uit te voeren. Maar als we ons dagelijkse leven niet langer als zinvol ervaren omdat we de hele tijd taken moeten uitvoeren die nergens toe leiden, is het probleem niet zozeer de tijdsdruk, maar het ontbreken van de mogelijkheid om onze dagen op een zinvolle manier in te richten.
Geen vakantie of wekelijks rustmoment dat deze kwelduivel het hoofd kan bieden. En jawel, dan zal elke werkdag als lood wegen, niet alleen de eerste na de vakantie.
Prof. dr. Ignaas Devisch is hoogleraar medische filosofie en ethiek aan Universiteit Gent. Hij schreef oa. Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven (De Bezige Bij, 2016)

Wednesday, August 17, 2016

ESPMH Conference Zagreb

This week, I'm having a special seminar on Autonomy, heteronomy and inequality at the Annual ESPMH Conference, this time in Zagreb. 


Abstract of the seminar: 


For years now, research on inequalities in health demonstrates the importance of social determinants in health outcomes. Contrary to that, public debates on health offer us a picture as if the only problem left in healthcare is how to empower individual patients so they would be able to make the right and autonomous choices and lead a healthy lifestyle. Next to that, in many countries the pursuit of a healthy lifestyle has or is expected to become a criterion in the allocation of healthcare services.
One of the crucial questions is what could be the consequences of this evolution for health care policy for individuals and for society in general? If we consider individuals as autonomous and regard the way they live as largely a matter of their own free choice, would it then not be “logical” to hold patients personally responsible for making (un)healthy life style choices, when they try to obtain insurance or enter healthcare facilities? And if the individuals are unwilling to change their risky behavior, could they then also be denied health care services?

As the idea of patient empowerment runs the risk of reducing health problems to the responsibility of the autonomous individual, we want to take into care a broader perspective. The myth of the independent autonomous individual taking rational decisions about his health and lifestyle, is indeed a myth. All of us are related to an outer world, to family and networks of friends, etc. We will call that heteronomy: the dependency of an individual to circumstances (determinants, social context) transcending its own choices. Heteronomy differs from paternalism. Judging from outside on what is the best in our interest, is exactly what the paternalist does: exercising over an individual’s choice for a particular way of living, or punishing the individual for not having the right lifestyle or for not having made the right choices.

Starting from the importance of social determinants, of course, the goal of healthcare should be to decrease heteronomy in people’s lives by offering them the chances to be able to live their life according to the choices they personally have made. The more we can increase autonomy, the better off we will be and the better for our health. At the same time, we should be fully aware that this goal will never be realized. The current ideal of the autonomous, self-monitoring patient, does not account for most people and the reality is way more complex than individuals making rational choices.
Consequently, more and more patient autonomy is understood as a thick concept or as ‘relational autonomy’ leaving the idea of fully independent beings behind. People can be empowered to make the choices they prefer, but we should also reflect upon the conditions how heteronomy hinders them from making the choices they want to or healthcare expects them to do. This reflection should prevent us from stepping back into paternalistic scenario’s, knowing what’s in the best interest for the people and punishing them if they do not make the ‘right’ choices. Although patient autonomy should always be our goal, the agency of autonomy never stands on its own.

Method
In this special seminar, we present papers on ongoing research in phenomenology, on participation in screening programs, on health in equality and how these might put patient autonomy under pressure.  Next to the papers, we will have a roundtable debate on autonomy and health inequality.

Chair: Prof. Dr. Ignaas DevischSpeakers: Prof. Dr. Ignaas Devisch, Marlies Saelaert, Dr. Veerle Vyncke, Yasmien De Ly